547828388708201

Page content

Auto examen hoe doe je dat?

Auto examen hoe doe je dat?

Inhoudsopgave

Auto examen hoe doe je dat?

  1. Instellen, afstellen en wegwezen
  2. Schakelen, milieu, stoppen
  3. Sturen op je examen.
  4. Snelheid op je examen
  5. Kijktechniek op je examen
  6. Rotonde en het examen
  7. Op je examen richting aangeven
  8. Plaats op de weg
  9. Snelweg tijdens je examen
  10. Anticiperen tijdens je auto examen
  11. De bijzondere manoeuvres
  12. Tips voor je examen
  13. Het zelfstandige gedeelte van je examen
  14. Gevaar herkennen op je examen
  15. Ken de auto en de knopjes
  16. Psychologische tips, Banaan
  17. fouten maken mag maar, welke?
  18. De examenuitslag

Auto examen hoe doe je dat?

Aanvragen:

Auto examen hoe doe je dat?  Om voor jou een auto praktijk examen aan te kunnen vragen heeft Rijbewijsgigant.nl als eerste een machtiging nodig , hiervoor machtig jij je rijschool met je DigiD code en onze code bij het CBR.

ga naar CBR.nl. en vul t in. Nadat dit door jou geregeld is kunnen wij jouw praktijk examen gaan aanvragen. Uiteraard dien je wel eerst je theorie te hebben voordat er een praktijkexamen geregeld kan worden. Ook een afspraak maken voor je theorie-examen, doe je bij het CBR. Je theorieleermiddelen kun je bij ons bestellen. Dus jouw vraag " Auto examen hoe doe je dat?" beantwoorden we graag.

TTT of meteen je auto praktijk examen?

  1. Je doet eerst een tussentijdse toets en daarna het echte auto praktijk examen. Deze tussentijdse toets verloopt hetzelfde als het echte examen. Je kan een vrijstelling verdienen voor de bijzondere manoeuvres bij het eerstvolgende examen. Hierna doe je het echte examen.
  2. Je doet meteen het echte examen. Je rijdt ongeveer 35 minuten in je eigen lesauto. Verder heb je vooraf en achteraf een kort gesprek met de examinator. Het totale examen duurt ongeveer 50 minuten.

cbr examensBij het CBR:

Aangekomen bij het CBR ga je rustig de auto parkeren en wandel je rustig met je identiteitsbewijs (paspoort of ID-kaart), oproep en het reflectieformulier ( hierop geef je aan hoe je jezelf vindt autorijden) naar binnen.

In het CBR:

Op de afgesproken tijd zal de examinator jou en je rijcoach naar binnen roepen, je mag dan tegenover de examinator aan een tafel plaats nemen. In een kort gesprek zal de examinator zal je op je gemak proberen te stellen en de bedoeling van het auto praktijk examen uitleggen. uiteraard gaat de rit vlot veilig en zelfstandig door het verkeer.

Nu nog even je ID kaart controleren en je vragenlijst aannemen "deze medische verklaring moet je dan nog even tekenen". uiteraard heb jij deze samen met je rijcoach doorgenomen en weet jij of je medisch in orde bent.

Zonnebril en muziek

Zonnebril tijdens je examenTuurlijk mag je met zonnebril of een zacht muziekje rijden. en stel nou dat jij problemen hebt met links en rechts. dan is dit het moment om dit aan de examinator te melden.

Auto examen hoe doe je dat?, gewoon doen we gaanNaar buiten

pak Je autosleutels, neem de examinator mee en hup naar buiten, Je mag. Nog even je ogen testen , op een afstand van ongeveer 25 meter afstand moet je het kenteken kunnen lezen van een auto.

En jouw examenrit gaat van start.

Instellen, afstellen en wegwezen

Instappen:

Instellen, afstellen en wegwezen. Je loopt voor de auto langs, tegen het verkeer in, even bij de linkerkoplamp wachten en kijken (links, rechts) Je stapt vlot de auto in als het veilig kan

Waarom: dit doe je omdat we dan tegemoetkomend verkeer in de gaten kunnen houden. Hoe korter dit duurt, hoe minder gevaar en hinder dit oplevert!

Stoel afstellen:

Het eerste wat je gaat doen voor je auto praktijk examen is, de stoel goed zetten, zorg dat je rechtop en lekker ontspannen zit, de bovenzijde van de hoofdsteun gelijk met de bovenzijde hoofd.

Waarom: Doordat de hoofdsteun gelijk is met de bovenzijde van het hoofd kan je hoofd bij een aanrijding niet achterover knikken, hierdoor wordt een Whiplash en ander nekletsel voorkomen.

Stel de hoogte van de stoel af zodat je goed zicht hebt en schuif de stoel naar voren of naar achteren, stel hem zo af dat als je met je linkerbeen de koppeling volledig intrapt je knie dan nog heel licht gebogen is en je been op de stoel rust

Waarom:

  • Tijdens het schakelen dient de koppeling altijd tot op de bodem ingetrapt te worden, en gecontroleerd bediend te worden
  • Je been is zo niet overstrekt maar ontspannen.

Gordel:

autogordel op je examenAls laatste doe je de gordel om: zorg ervoor dat de gordel over je schouder loopt en niet tegen je nek, je kunt de hoogte daarop afstellen aan de zijkant links bovenaan

Waarom:

  • de gordel is zelfspannend en moet vrij kunnen bewegen.
  • de gordel is een stukje passieve veiligheid, het helpt ernstig voorkomen bij een ongeval, het voorkomt dat je uit de auto wordt geslingerd

 

 

 

Spiegels afstellen:

Als je de spiegels goed afstelt, kun je het verkeer achter je goed volgen. Dit maakt het mogelijk in te spelen op het gedrag van andere weggebruikers

Binnenspiegel

binnenspiegel afstellenDe binnenspiegel stel je zo af dat je, zonder met je lichaam te bewegen, het verkeer achter je op grote afstand kunt zien aankomen. Vanuit je zithouding moet je zoveel mogelijk door je achteruit zien Zorg ervoor dat je de bovenkant van de achteruit nog net in de binnenspiegel kan zien.

Buitenspiegels:

De linker en de rechter buitenspiegel moet je zo afstellen dat je, vanuit je zithouding, de zijkant van de auto net, of net niet meer ziet. Hierdoor verklein je de dode hoek. Let wel op de horizon in het spiegelbeeld. Plaats deze op de juiste hoogte anders merk je anderen niet tijdig genoeg op. Horizon op ongeveer een kwart van de bovenkant.

Wegrijden:

Bij vertrek op je auto praktijk examen doe je de handelingen met de klok mee:

  1. Koppelingspedaal volledig intrappen.
  2. Contact maken en starten ( als de auto op het stuurslot zit, contact maken en het stuur heen en weer bewegen).
  3. In 1e versnelling.
  4. Handrem eraf.

Aan het einde van je examen sluit je de auto op dezelfde manier af als bij het opstarten, alleen dan precies het tegenovergestelde.

Handelingen tegen de klok in:

  1. Handrem aantrekken
  2. Neutraal
  3. Sleutel uit het contact
  4. Koppeling loslaten

 

Uitstappen :

Pak de handgreep vast met de linkerhand en hou deze vast,

Waarom: bij een windvlaag wordt dan de deur niet uit je handen gerukt.

  • Kijk voor de auto,
  • In de binnenspiegel,
  • In de linkerbuitenspiegel en over de linkerschouder.

Waarom: Om te oordelen of je veilig en zonder het overige verkeer te hinderen kunt uitstappen. Ontgrendel het portier met je rechterhand, terwijl je de deurgreep met links blijft vasthouden, Stap vlot uit, sluit het portier en loop richting de achterzijde van de auto (tegen het verkeer in)

Auto Praktijk examen, Hoe slaag ik voor mijn auto rijbewijs

alle tips voor je auto praktijk examen

Schakelen, milieu, stoppen

Zacht schakelen: Denk weer even terug aan je lessen, neem de tijd voor de versnellingspook, rustig koppeling op laten komen. En als je de koppeling indrukt; stevig en helemaal. Dus altijd krachtig intrappen en rustig loslaten . Schakel liever niet in de bocht.

Opschakelen:

  • op je toeren
  • kijken voor je gaat versnellen.
  • Rechter hand losjes tegen de schakelpook.
  • Schakel tussen de 2000 en 2500 toeren
  • Schakel rustig en kies de juiste, volgende versnelling.
  • Stuur weer met beide handen vastpakken.
  • Laat gelijktijdig met het stuur vastpakken de koppeling weer rustig opkomen (aangrijpingspunt)
  • Geef iets gas bij

Terugschakelen:

Uitrollen ( en eventueel remmen) naar lage toeren (ongeveer het stationair toerental, rond de 1000 toeren) en dan pas koppelen ( als de motor gekoppeld in toeren zakt, verbruikt hij geen brandstof)

  • Scan, (is ook het verkeer achter je)
  • Rechter hand tegen pook.
  • Schakel bij +/- 1000 toeren terug naar een lagere versnelling, bij stoppen of heel langzaam rijden naar de één
  • luister naar het geluid van de motor en kijk niet teveel naar de toerenteller

Wegrijden vanuit stilstand:

Technisch wegrijden de praktijk:

In de praktijk hebben we twee redenen waarom we gestopt zijn en weer weg willen rijden.

  • Vrijwillig: een stop buiten het verkeer We staan vrijwillig stil om iemand in of uit te laten stappen of iets te bezorgen en willen weer gaan rijden We staan ergens geparkeerd en willen weer gaan rijden
  • Verplicht: een stop in het verkeer We maken een stop in het verkeer om dat we bijvoorbeeld moeten wachten voor een VOP, een kruispunt om iemand voorrang te verlenen, rode verkeerslichten.Eerst een beetje gas, koppeling zacht op laten komen tot de auto rolt, daar 2 tellen vasthouden en langzaam loslaten. Zodra de auto begint te rollen nog iets meer gas bij.

milieu:

Vroeg opschakelen, rond de 2000 toeren (afhankelijk van het type auto). Het is beter vroeg te schakelen, want hoe meer toeren je maakt hoe hoger het brandstofverbruik. Bij terugschakelen en bij stoppen pas koppeling intrappen bij het stationair toerental ( rond de 1000 toeren). Bij een brug of overweg eventueel motor afzetten.

Stoppen:

noodstop

Met betrekking tot het auto rijbewijs zijn er 3 verschillende soorten stops:

  • Een stop in het verkeer Dit is bijvoorbeeld:stoppen voor ander verkeer (VOP, Voorrangsweg) of voor een verkeerslicht
  • Een noodstop Dit is bijvoorbeeld plotseling stoppen om een aanrijding te voorkomen.
  • Stoppen buiten het verkeer Dit is bijvoorbeeld parkeren en vrijwillig stilstaan

Een stop in het verkeer:

Als je goed scant kun je een groot aantal stops voorkomen. Voorkomen van stoppen en zorgen dat de auto blijft rollen, spaart brandstof en milieu, ook zorgt het voor een vlotte doorstroming. Je moet zo scannen dat je niet verrast wordt door veranderingen, dan hoef je meestal niet abnormaal te remmen of te stoppen.

Om relaxed de auto stil te zetten kun je gewoon rustig stoppen, probeer de laatste meters je rem los te laten, zodat je geen schok krijgt.

Rood verkeerslicht: niet terugschakelen, laat de auto uitrollen, koppeling indrukken bij stationair toerental en remmen. Als je gas loslaat verbruikt de auto geen brandstof. Als je de koppeling indrukt gaat de auto weer brandstof verbruiken. Als je stil staat, ga je weer naar 1.

Herken tijdig situaties die kunnen leiden tot een stop, laat rustig het gas los zodat je nog maar weinig hoeft te remmen.

  • Bij een noodstop trap je rem en koppeling gelijktijdig zo snel en hard mogelijk in.
  • Ontkoppel op tijd! Te laat, de motor slaat af Te vroeg, de auto verliest grip.
  • Eindschok Rempedaal net voor het tot stilstand komen iets op laten komen.
  • Op een veilige wijze Hinder anderen zo min mogelijk, let ook op bestuurders achter je.
  • Bepaal vooraf waar je stil komt te staan.
  • Houd kruispunten, overwegen en oversteekplaatsen vrij.
  • Hou voldoende afstand op je voorganger.

Stoppen bij voorrang verlenen:

Je mag al tijdens het stoppen naar 1 gaan.

Sturen op je examen.

Sturen:

Er zijn twee methoden

  • De doorgeef methode De doorgeefmethode gebruik je bij het rijden in het verkeer.
  • De overpak methode De overpak methode gebruik je alleen als je zeer snel moet sturen bij een lage snelheid. Bijvoorbeeld een parkeervak of inrit oprijden.

De stuurhouding uit het onderwerp “zit en stuurhouding” passen we continu toe. Deze houding is nodig om alle stuurtaken te kunnen uitvoeren.

Bij lange flauwe bochten en als stuurcorrectie, is een kleine stuurbeweging voldoende. In lange bochten duurt het een aantal seconden voor je terug kunt sturen, dan is het veiliger het stuur weer op kwart voor drie vast te pakken.
Als je achteruit rijdt mag, als je dat prettig vindt, je het stuur met je linkerhand bovenaan in het midden vastpakken. Met je rechter arm kun je dan steun zoeken, dit hoeft dus niet * Als je het stuur in het midden vast blijft houden kun je gemakkelijk bepalen wanneer de wielen weer in de rechtuit stand staan.

Algemeen:

  • Houd je stuur losjes vast.
  • Handhouding als je rechtdoor rijdt: je handen op kwart over en kwart voor 3.
  • Overpakken bij scherpe bochten
  • Doorgeven bij slappe bochten
  • Sturen doe je, zonder dat je naar het stuur kijkt.

Snelheid op je examen.

Als de omstandigheden het niet belemmeren, ga dan gerust de maximumsnelheid rijden. Soms kun je zelf beter net iets harder of zachter rijden dan de maximum snelheid. Als de omstandigheden dat vereisen, bijvoorbeeld het invoegen op de snelweg en soms bij het inhalen op tweebaanswegen of bij het wisselen van rijstrook. Het weertype of de situatie op de weg behaald mede welke snelheid we kiezen.

Snelheid in de bebouwde kom:

De algemene regel is maximaal 50 km/u

  • Brede voorrangs-/hoofdwegen weinig gevaar: 50 km/u. Sommige auto’s zelfs in de vierde versnelling.
  • Smallere voorrang-/hoofdwegen meer gevaar (bv. Geparkeerde auto’s): 35-45 km/u in de derde versnelling. Hou hier altijd deurbreedte afstand.
  • Woonwijken en smalle straatjes en afslaan: 5-25 km/u in de eerste of tweede versnelling.
  • Naderen voorrang (bijv. haaientanden of uitrit): 20 m van tevoren in twee, 20 km/u.
  • Woonerf: stapvoets 5 km/u, in de eerste versnelling.

Wanneer zelfs langzamer dan 20 km/u met gekoppelde tweede versnelling?

In tweede versnelling met koppeling ingedrukt bij 5-15 km/u :

  • Haaks afslaan met een verhoging (bijv. een opgehoogd kruispunt) of een inrit met verhoging.
  • Hele smalle weg of een smalle weg inrijden bij het afslaan.
  • Bij voorrang verlenen met weinig zicht. (bijv. bij huizen).
  • Soms is dit beter dan naar 1 teruggaan, omdat je dan sneller weer wegrijdt.

Snelheid bij voorrang:

Bij voorrang verlenen moet je het voorrangsverkeer geruststellen met je snelheid, maar probeer te blijven rollen indien mogelijk.

Indien je voorrang hebt, probeer duidelijk te zijn en laat merken dat jij de regels kent. Laat zien dat je weet dat je voorrang hebt.

 

Zoneborden:

zone bordenmeestal 30 km/u of 60 km/u. Het zonebord telt tot het bord ‘einde zone’.

 

Autoweg: 100 km/u. Soms met een extra duiding: Groene streep tussen de twee middenstrepen.

 

Verkeersborden die de maximumsnelheid bepalen,

tellen tot het volgende kruispunt of de volgende zijweg.

Blauwe snelheidsborden: deze geven een adviessnelheid, let op dit is een advies.

Snelheid buiten de bebouwde kom. Niet de autoweg of autosnelweg: 80 km/u Soms nog langzamer, dan staat het met borden aangegeven, dan meestal 60 km/u of 70 km/u. 60 km/uur, herkenbaar aan:

  • Onderbroken kantstrepen
  • Het 60 km/uur zonebord

Snelheid snelweg:

Indien mogelijk rijd je de maximum snelheid ( 130, 120, 100, 80 km/u), ook als je invoegt. Bij invoegen pas je de snelheid aan ten opzichte van het verkeer op de rechterrijstrook zodat je kan ritsen. Let goed op de matrixborden en de snelheidsaanduiding op de vangrails.

Kijktechniek op je examen

Kijktechniek bij het links- en rechts afslaan, opzij gaan, uitwijken en wisselen van rijstrook. hier doe je dan de controles uiteraard aan de kant waar je naar toegaat!

binnen buiten dode hoekAfslaan bij kruispunten

  1. Je eerste controle en richting aan geven. Kan ik veilig zonder gevaar Mijn knipperlichten gebruiken? wat is nu de situatie achter en naast de auto?
  2. snelheid minderen
  3. kruispunt beoordelen, aandacht spreiden, beslissen of je kunt gaan.
  4. De tweede zijwaartse controle waarna je gaat. Kan ik echt veilig opzij gaan? Haalt niemand mij in?
  5. (nacontrole)

Opzij gaan of uitwijken:

Ook al ga je maar een klein beetje opzij , uitwijkt voor een obstakel, fietser, geparkeerde auto, moet je een controle uitvoeren!. zelfs als je geleidelijk uitwijkt. Kortom voordat je een zijdelinkse verplaatsing instuurt moet je de controle uitvoeren.

Rijstrook wisselen en invoegen:

Anticipeer, beoordeel in je spiegels en over je schouders (dode hoek) wat de situatie achter en naast je is op de baan waar je naar toe wilt. Maak een plan, bij drukte breng de auto in positie.

  • 1e controle richting aanwijzer,
  • 2de controle (dode hoek) en gaan.

Hoe ?

Dit doe je dus zowel bij afslaan als bij een rijstrook wisselen als bij uitwijken.

  1. Binnenspiegel,
  2. Buitenspiegel,
  3. Schouder dode hoek (links haaks opzij en rechts meer naar rechtsachter kijken), na je schouder weer,
  4. Voor je kijken en dan knipperen (na de 1e controle).

Dan nog een tweede controle voordat je daadwerkelijk opzij gaat.

De tweede controle of na controle mag je soms inkortte tot de dode hoek( schouder), als je weinig tijd hebt.

Tips:

Op tijd uitvoeren van je tweede controle, vlak voordat je echt op zij gaat. Bij je linker dode hoek niet omgedraaid gaan zitten en achterom kijken, vertrouw gewoon je linker buitenspiegel. En met je rug tegen de rugleuning zit lekkerder.

Belangrijk!

Bewust in je spiegel kijken, houd je schouders in je stoel. Kijk niet in een ronde beweging, kijk gefaseerd.

Algemene kijktechnieken:

Bewust waarnemen, met de ogen het totale verkeersbeeld waarnemen

Bestuurder:

Goed kijken is de basis van veilig autorijden. Als je technisch een uitstekende chauffeur bent maar je ziet niet wat er gebeurt in het verkeer, ben je een gevaar op de weg.

Om te kunnen begrijpen wat voor jou belangrijk is moet je leren om bewust waar te nemen, hiermee krijg je een overzicht van de verkeersomgeving.

Met overzicht wordt bedoeld dat je voortdurend bezig bent met het combineren van gegevens van de verkeersomgeving, dit is nodig om vooruit te kunnen denken en handelen (anticiperen) Om dit te kunnen moet je kennis bezitten van de verkeerstheorie, het voertuig, de weg en de verkeersomgeving. Je moet bijvoorbeeld weten wat voor invloed een bepaald weertype heeft op het gedrag van de auto(sneeuw, ijzel, regen etc.), of waar je welke weggebruikers kunt verwachten. Als je goed scant ben je instaat om aangepast en besluitvaardig te rijden.

Goed scannen kan alleen maar als je goed uitzicht rondom de auto hebt, dus je spiegels moeten goed staan en je ramen moeten schoon zijn. Uitzicht rondom de auto wordt ook beperkt door de raam en deurstijlen(dit zijn dode hoeken), het is soms nodig dat je iets naar voren beweegt om goed te scannen Denk aan je dode Hoeken!

Omgeving:

In de verkeersomgeving zijn andere weggebruikers het gevaarlijkst. Een boom steekt niet plotseling over en een bocht komt niet uit de lucht vallen. Het is bijna altijd het afwijkende gedrag van een persoon dat een ongeval veroorzaakt.

Als er bijvoorbeeld een groot voertuig (vrachtauto) de weg op komt draaien, kan het zijn dat hij tijdelijk gebruik gaat maken van jou weghelft. Anticipeer daarop, laat bv tijdig het gaslos, dan hoef je waarschijnlijk niet ééns te stoppen. Zo is het voor de andere bestuurder ook duidelijk dat je rekening houd met zijn probleem

Rechtdoor:

Iedere 5 tot 8 seconden in je spiegel kijken, binnenspiegel, buitenspiegels, kijk ver ( liefst 534 meter) voor de auto. Het scannen begint met minimaal 534 meter vooruitkijken. Dit is helemaal niet zo heel erg ver, als je 120 km/h rijdt doe je over 534 meter ongeveer 9 seconden.

Als je gaat versnellen, bijvoorbeeld nadat je afgeslagen bent:

Kijk achter en naast je of niemand je inhaalt. Binnenspiegel, linker buitenspiegel.

Bij kruispunten:

kijken op kruispuntenBij het oversteken van een kruispunt even goed je aandacht verdelen, eerst links en dan rechts kijken, liefst 2x of meer (meer dan 1 keer omdat je voorraam raamstijlen heeft, dat is ook een soort dode hoek). Doe dit zo vroeg mogelijk. Bij weinig zicht is, pas je uiteraard de snelheid aan.

Bij voorrang:

Zijwegen op tijd beginnen met inkijken, en zoeken naar bewegende opjecten.

Bij links- en rechts afslaan:

Aan komen rijden met richting aanwijzer , check het kruispunt, tweede controle, vrij? ja? Gaan.

 

Check dubbelcheck: Check altijd extra op fietsers.

Link afslaan met tram/ busbaan:

Ruim van te voren kijken

Scherpe bocht in de weg:

Ook dan ga je met de auto zijwaarts en moet je een controle uitvoeren voordat je gaat sturen.

Voordat je een bocht naar rechts stuurt: Check op fietsers , scooters in de binnenbocht.

Kijk niet voor je examinator, kijk voor jezelf.

Of je voldoende ver voor de auto kijkt kan je examinator afleiden uit je hoe jij reageert. Laat je tijdig het gas los, maak je mooie bochten Reageer je op andere weggebruikers zoals een rouwstoet die de weg opdraait etc.

Rotonde en het examen

 

rotonde rijdenVoer dezelfde handelingen uit als bij een kruispunt.

Let extra goed op de richting-aanduidings borden Rotonde naderen Laat +/- 100 mtr. Voor de rotonde het gas los en doe de rechtervoet naar de rem, ga rustig remmen. Bij 1000 toeren koppeling intrappen en blijven remmen

  • kun je doorrijden dan terug naar 2 schakelen en als je +/- 20 km/h rijdt, koppeling weer rustig op laten komen rem los, voet naar het gas snelheid constant houden (aangepast) rotonde oprijden
  • kun je niet direct doorrijden, dan blijven remmen tot stilstand, vervolgens naar de 1e versnelling schakelen zodat je direct weer weg kunt rijden .Rijstrook Wisselen Sorteer voor op de juiste rijstrook, dit wordt middels borden en soms met pijlen op het wegdek aangegeven. Let dus goed op en maak vooraf een keus, dit voorkomt dat je op de rotonde teveel van rijstrook moet wisselen.Afslaan. Voer een nacontrole uit verhoog daarna de snelheid.
  • Nacontrole
  • Richting aangeven Rechtsaf is aan naar rechts voordat je de rotonde opkomt richting af nadat je de rotonde bent verlaten Rechtdoor is geen richting voor de rotonde en richting naar rechts na de laatste afslag Links en volledig rond is dus richting links.

Oprijden

  • Op rotonde moet je soms van rijstrook wisselen, weven is wisselen van rijstrook Wissel met één rijstrook tegelijk en kijk of je niet rechts wordt ingehaald .

Een rotonde met meerdere rijstroken. Bij het verplaatsen naar een andere rijstrook goed kijken of hierbij andere bestuurders niet gehinderd worden. Dus vooral het weggedeelte achter en naast het voertuig controleren door:

  • Kijken: Binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en rechterschouder om te zien of men rechts wordt ingehaald
  • Kijken: binnenspiegel, linkerbuitenspiegel en linkerschouder om alert te zijn op het gedrag van bestuurders die eventueel links willen inhalen
  • Blijf ook voor de auto kijken
  • Tijdens het kijken niet van koers veranderen

Voorrangsregels rotonde:

Er zijn rotondes waar je voorrang moet verlenen en rotondes waar je voorrang moet krijgen. Bij het naderen van een rotonde gelden dezelfde voorrangsregels en voorsorteerregels als bij een kruising. Wil je een rotonde oprijden waar geen verkeersborden of verkeerstekens staan die de voorrang regelen, dan moet je voorrang krijgen van al het verkeer dat op de rotonde rijdt. Wilt u een rotonde oprijden waar verkeersborden en/of verkeerstekens staan die de voorrang regelen, dan moet je voorrang verlenen aan alle bestuurders die op de rotonde rijden.

Verlaten rotondes

Bij het verlaten van een rotonde sla je altijd rechtsaf en moet je:

  • Voorsorteren;
  • Richting aangeven naar rechts;
  • Al het overige verkeer op de rotonde is recht doorgaand verkeer, deze moet je voor laten gaan. (denk ook aan fietsers en voetgangers)
  • Hierbij het eventuele verkeer rechts naast het voertuig observeren door: in de binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over de rechterschouder te kijken
  • Extra aandacht voor de fietsstroken en de vrij liggende fietspaden en voetpaden te hebben
  • Ook goed naar links en rechts kijken voor fietspad en VOP.
  • Het verkeer dat de rotonde blijft volgen wordt tijdens het verlaten van de rotonde voorgelaten: Denk hierbij ook aan al het verkeer op het vrij liggende fietspad
    Bij het naderen, berijden en verlaten van de rotonde, vrij liggende fietspaden en VOP niet blokkeren.

Op je examen richting aangeven

 

richting aangevenGeef richting aan van tevoren bij:

  1. Bij uitvoegen, meestal vanaf de snelweg
  2. Bij weefvakken, niemand heeft hier voorrang
  3. Als je hulp nodig hebt tijdens filerijden en je wilt van rijstrook wisselen
  4. Bij afslaan, 30 tot 40 meter van tevoren knipperen
  5. Voordat je langs de zijkant gaat stoppen of parkeren

Geef pas richting aan als je kunt gaan bij:

  1. Invoegen
  2. Wisselen van rijstrook
  3. Wegrijden vanaf de zijkant
  4. Inhalen
  5. Bij een U-turn, halve draai

Alarm lichten (alle knipperlichten knipperen):

Als je een obstakel bent, of gaat worden, op de weg.

Geef richting aan bij rotondes:

  1. Een kwart (rechtsaf): naar rechts knipperen
  2. Twee kwart (rechtdoor): aankomen zonder knipperen, bij de eerste afslag knipper je naar rechts
  3. Drie kwart (linksaf): eerst naar links

Plaats op de weg

Je positie (plaats op de weg) bepaal je door rekening te houden met een groot aantal factoren. Je moet dus goed kijken. Je positie moet voor andere weggebruikers duidelijk zijn, dit kun je bereiken door regelmatig te controleren of de auto nog op de goede plaats op de weg rijdt.

plaats op de wegJe plaats op de weg is in principe in het midden van je rijstrook.

Bij geparkeerde auto’s houd minimaal deurbreedte aan deuren kunnen plotseling opengaan). Bij afslaan stuur niet te ruim en maak gebruik van de fietsstrook.

Zorg altijd voor een ruimtekussen! Houd afstand als je volgt en rijd breed als je passeert of tegemoet komt. Als je niet breed kan rijden, pas je snelheid aan.

Als je een aparte rijstrook voor links hebt, ga dan vanaf het begin het vak in. Dit geldt ook voor uitvoegen vanaf de snelweg. Bij links afslaan tegen de weg-as voorsorteren.

Twee rijstroken in dezelfde richting: -rechts houden in principe

  • Opvullen links (als rechts vol is)
  • Voorsorteren links (als je verderop links gaat)

Belangrijk bij afslaan vanaf twee rijstroken:

Blijf in je eigen rijstrook.

Bij afslaan vanaf één rijstrook:

Dan mag je meteen de juiste rijstrook doorsteken die voor jou het beste is.

 

Plaats op de weg bij afslaan:

Kruispuntbreedte:

Als je links afslaat bij een klein kruispunt, ga niet alvast in het midden rijden, maar blijf netjes rechts rijden zodat de tegenligger er nog langs kan. Snijd dus niet af.

Bij grotere kruispunten:

Let op het gele paaltje met blauw bord en witte pijl.

Bij links afslaan vanaf een voorrangsweg:

Wacht op het recht doorgaande verkeer, stop voor de middenas van de weg waar je in gaat.

Links afslaan en de tegenligger slaat ook linksaf:

Soms kruis je voorlangs soms om elkaar heen.

 

Om elkaar heen links afslaan:

Vaak bij een grote middenberm

Obstakels:

Houd afstand! Voer een controle uit voordat je opschuift.

Als er gele en witte strepen op het wegdek liggen, dan moet je de gele strepen volgen.

Afstand:

Een veilige afstand heb je als je 2 seconden later hetzelfde punt dan je voorganger voorbijrijdt, Kies een positie met voldoende uitzicht Veilige Afstand Denk aan de 2 seconden regel Bij slecht weer of slecht zicht, of rijden achter een vrachtauto of bus “meer afstand houden.

Fietsers:

Ga veilig om ze heen, vergeet niet je controles.

Invoegen op de snelweg:

Kies een positie waar je goed zicht hebt, kijk goed vooruit en bedenk waar je gaat invoegen, kijk achter je of daar al wordt ingevoegd

Stel zo vroeg mogelijk vast wanneer je kunt invoegen Controleer de dode hoek pas vlak voor het invoegen.

Voor Laten Gaan en Sturen:

Samenspel met overig verkeer, communiceer Richtingaanwijzer Vlak voor het invoegen richting aan, observeer reactie overig verkeer en stuur soepel en vloeiend de rijbaan op, zet daarna de richting weer af.

Uitvoegen:

Bij de eerste blokken al in het vak gaan sturen, maar pas in het vak gas loslaten.

Bij grote bochten op een kruispunt:

Let op de wegmarkering, soms witte vlakken of onderbroken strepen en het gele paaltje met de pijn (vooral bij links afslaan), waar je naar toe gaat sturen.

Oversteken grote kruispunten:

Zo ver mogelijk opstellen, de rijbaan mag je niet blokkeren, wel gedeeltelijk de zebra of half een half fietspad. Ook een tram-busbaan mag je tijdelijk blokkeren.

Vrachtwagens:

Als je een vrachtwagen als tegenligger hebt is het soms verstandig om iets meer naar rechts t rijden. De luchtverplaatsing kan soms een flinke zijwaartse duw geven. Als een vrachtwagen afslaat, houd eerder in.

Stopstreep bij verkeerslichten:

stopstreepRijd altijd op tot de stopstreep, want onder het wegdek zit vaak elektronica die jouw auto registreert. Dan pas kan het licht op groen gaan. Als je onder je buitenspiegel de stopstreep nog kunt zien, dan sta je goed.

Stoppen bij verkeerslichten. Hoeveel afstand houd je?

Een handige truc is dat je de banden van de auto voor je nog net kan zien. Niet te dicht er achter dus, je hebt dan minder last van uitlaatgassen en je kan meteen weer weg als de auto voor je pech heeft.

 

Turborotonde:

Sorteer goed voor, volg de pijlen, dan kom je altijd goed uit.

Snelweg tijdens je examen

 

invoegen snelwegInvoegen snelweg:

Juist invoegen begint met een goede positie, voor je invoegt moet je vaak een scherpe bocht doorrijden, scan goed vooruit zodat je de juiste rijlijn kunt bepalen, hou net als bij inhalen, meer afstand dan gebruikelijk, hierdoor rij je jezelf niet vast, en hou je meer overzicht. Controleer ook regelmatig de situatie achter je, stel dat er achter je iemand invoegt en naast je gaat rijden!

Kijkgedrag:

probeer zo vroeg mogelijk, liefst al op de toe-rit  naar de invoegstrook het verkeer op de doorgaande rijbaan te observeren, zo zie je al in een vroeg stadium of en waar er kan worden ingevoegd. Op de invoegstrook kijk je voor je en gebruik je de spiegels voor het verkeer achter je Vlak voor het oprijden van de doorgaande rijbaan controleer je de dode hoek Waarom: Op de invoegstrook maak je behoorlijk snelheid, als je dan over de schouder gaat kijken, zie je voor je niks, bij 120 km/h ben je in één seconde ben je al 33 mtr verder.

Voor laten gaan, samenspel:

ritsen verplicht vanaf 01 maart 2014Invoegen is een bijzondere manoeuvre, je moet snelheid maken om het verkeer op de doorgaande rijbaan zo min mogelijk te hinderen. Heb je de snelheid niet goed geregeld dan waardoor je onnodige hinder veroorzaakt dan zul je het verkeer op de doorgaande rijbaan voor moeten laten gaan! Het verkeer is een samenspel met de overige weggebruikers communiceer, laat uitvoegend verkeer voorgaan. Voeg in, in volgorde van aankomst. Communiceer met het verkeer, maak bv indien mogelijk oogcontact.

Richtingaanwijzer en sturen:

Zet vlak voor het invoegen je richtingaanwijzer aan, kijk of het overig verkeer daarop anticipeert, en stuur vloeiend (niet scherp) de rijbaan op. Kom uit op de meest rechter rijstrook. Zet de richting pas af als je volledig bent ingevoegd.

Ruimtekussen:

Na het invoegen, zeker als dat tussen ander verkeer moet, is je ruimte kussen te klein. Deze dien je dan net als bij het rijstrook wisselen weer aan te passen naar de situatie Voer een na controle uit.

Spelregels:

  • Recht rijden,

  • Niet al tegen de blokken aan.

  • Midden van de rijstrook houden.

  • Bij de blokken: het controle pakket uitvoeren: 1e controle, knipperen, dan 2e controle (dode hoek) en sturen.

  • Geleidelijk sturen.

  • Naar de vijfde versnelling. Dan de maximum snelheid rijden indien mogelijk.

  • Voer de na controle uit.

 

Uitvoegen snelweg:

Positie en ruimtekussen:

Wanneer je de doorgaande rijbaan wilt verlaten, moet je tijdig rechts gaan rijden, je hebt dan het beste zicht op de verkeerssituatie, dat is zeker belangrijk als je bij het verlaten gebruik moet maken van een weefvak. Als je vlak voor het uitrijden nog een langzaam voertuig inhaalt is dat prima en goed voor de doorstroming, je moet dan wel zeker weten dat je tijdig rechts kunt gaan rijden. Ruimtekussen: zorg voor voldoende afstand tot je voorligger, let op bestuurders achter je, is er ruimte op de uitvoegstrook? Tijdens het in en uitvoegen kan het gebeuren dat de volgafstand tijdelijk te klein is, deze zul je dan op de uitvoegstrook weer aan moeten passen

in en uitvoegenRichtingaanwijzer en scan:

Geef tijdig richting aan, (op de snelweg +/- 300 mtr. van te voren). Dit punt herken je vaak aan een ANWB bord. Door dit tijdig te doen weet het overige verkeer ook wat je van plan bent en kan het daarop anticiperen.

Scan en sturen:

Vlak voor je gaat uitrijden, scan je nogmaals. Observeer ook het verkeer achter je en kijk vlak voor het verlaten even in je dode hoek. Is er nog plek, wordt je niet rechts ingehaald Sturen: stuur met een vloeiende lijn de uitvoegstrook op

Ruimtekussen:

Let op de vrije ruimte om de auto, scan goed, ga niet naast een ander voertuig rijden. Als je op de uitvoegstrook rijdt, kun je vaak niet meer naar links, je oude plaats is meestal al weer bezet. Scan daarom goed op de uitwijkmogelijkheden, denk aan plotseling afremmend verkeer op de uitvoegstrook of een plotseling scherpe bocht.

Afremmen en schakelen:

Richtingaanwijzer weer af: Rem tijdig af voor een scherpe bocht, rem af (uitrollen en evt. bijremmen in de versnelling) schakel indien nodig terug na het afremmen, rij niet met een ingetrapte koppeling zeker niet in de bocht Richtingaanwijzer kan weer uitgeschakeld worden, als de uitvoegstrook zich van de doorgaande rijbaan splitst. Dat is bij het puntstuk, en/of het bordje uit.

Op de snelweg:

Als je niet aan het inhalen bent, houd zoveel mogelijk rechts. Bij grote drukte mogen meerdere rijstroken gevuld blijven, zonder dat je echt inhaalt (doorstroming).

Gebruik je remmen zo min mogelijk, los bijna alles op met je gaspedaal. Probeer snelheid eventueel te minderen door naar 4 terug te schakelen. Bij plotselinge file vorming gebruik je de alarmlichten ter waarschuwing van achteropkomend verkeer. Let op 100 of 120 km/uur ( soms zelfs 130 km/uur). Bij 100 km/uur let op de bordjes op de vangrails of op de hectometer paaltjes langs de weg.

Afstand houden:

2 seconden regel ( minimaal 50 meter afstand). Het aantal meters is de helft van de snelheid +10%.

Dus bij 80 km/uur moet de afstand 48 meter zijn. Bij regen verdubbelen we bijna de afstanden.

Gevoelsmatig:

Als de auto voor je een noodstop zou maken, moet je genoeg tijd hebben om daadwerkelijk te reageren. Afstand houden is een continue spel met je gaspedaal.

Vrachtwagens en grotere bestelwagens:

Houd extra veel afstand om goed overzicht te houden op de verkeerstekens, de weg en de bewegwijzering.

 

Motorrijders en file:

motorrijden fileAls je in file rijdt op de snelweg en je wilt wisselen van rijstrook kijk uit voor motorrijders, zij kunnen tussen de auto’s doorrijden.

Spitsstrook:

Soms wordt de vluchtstrook open gesteld als extra rijstrook. Dit kun je zien aan de groene pijl boven de vluchtstrook. De doorgetrokken streep mag je nu zien als onderbroken streep. Als het rode kruis boven de vluchtstrook brand dan ga je niet op de vluchtstrook rijden!

Blokmarkering:

Rechts van deze markering mag je in halen!

Matrixborden:

De elektronische snelheden die vermeld staan zijn geen adviessnelheden, maar verplicht!

Tunnels:

Doe je lichten aan ( als je nog niet aan had) en druk de tunnelknop in ( er komen dan geen uitlaatgassen in de auto.

Tijdelijk korte asfstand:

Als het druk is en je wilt invoegen of van rijstrook wisselen, mag je tijdelijk vlak achter de auto voor je (die op een andere rijstrook is) opschuiven.

File rijden:

Bijvoorbeeld op de snelweg: en je wilt van rijstrook wisselen, dan mag je om hulp vragen, door van te voren te knipperen en eventueel met oogcontact.

 

Bij een weefvak:

weef vakHoudt rekening met elkaar, niemand heeft hier voorrang, je moet met elkaar communiceren, zorg dat je je richting van te voren aan hebt, zowel bij naar links als naar rechts van rijstrook wisselen.

Jij rijdt op de snelweg en veel invoegend verkeer:

Je kan dan de ruimte maken door tijdig naar de linker rijstrook te gaan. Laat zien op je examen dat je durft in te halen, je mag dan best even harder rijden dan toegestaan. Durf ook tijdens het invoegen pittig te accelereren. Je mag meer toeren maken dan dat je normaal doet, zodat je op tijd de juiste snelheid hebt.

Toeritdosering:

Bij grote drukte kan de toeritdosering worden ingeschakeld, dit zijn verkeerslichten aan het begin van de oprit.

Anticiperen tijdens je auto examen

 

Anticiperen doe je door ver vooruit te kijken, 200 tot 300 meter, zodat je altijd van te voren de tekens op de weg kan lezen ( strepen etc), verkeersborden, voorrang, ander verkeer, enz.

Hierdoor kun je op tijd handelingen uitvoeren en op tijd beslissen wat je gaat doen.

Voorbeelden:

  • -Als je meerdere rijstroken hebt en je wilt afslaan, dien je op tijd voor te sorteren

  • -naderen voorrang: 30 meter van te voren in de 2e versnelling en al goed gaan kijken.

  • -bij invoegen ( bijvoorbeeld snelweg): anticipeer voordat je bij de blokken bent! Kijk alvast op de snelweg of er plek is om tussen de auto’s in te voegen.

  • -bij uitvoegen geld het zelfde omgekeerd.

Na het inhalen op de snelweg:

Ga op tijd weer terug naar de rechter rijstrook, als er genoeg ruimte is. Als je de auto achter je op de andere rijstrook in je binnenspiegel kunt zien, dan kun je zeker opschuiven.

Rijden op de snelweg:

Voortdurend je plan maken, afstand houden, inhalen, snelheid, iedere 5 tot 8 seconden in je spiegels kijken.

anticiperenBij kruispunten op tijd kijken, dus voor dat je er bent. Beeld je in wat je doet als er iets van links, rechts of tegenliggend komt.

Bij kruispunten met voorsorteer vakken: besluit op tijd of je gaat opvullen of dat je rechts gaat houden.

Kijk ver voor de auto!

Wanneer je een roodstoplicht in de verte ziet, laat dan op tijd je gas los. Wanneer je in de verte ergens naar links gaat, sorteer dan op tijd voor naar links.

Flessenhals:

Anticipeer op de andere rijstrook.

Bij v.o.p.

Rem op tijd voor voetgangers. Verleen geen voorrang met een noodstop!

Bij bochten en drempels:

De juist versnelling kiezen en kijk bij bochten ver van te voren waar je heen moet sturen. Kijk dus in de bocht hoe de weg verder verloopt. Hoe zit het met de rijstroken na de bocht.

De bijzondere manoeuvres

Tijdens het uitvoeren van de manoeuvres moet je al het andere verkeer, ook voetgangers, voorrang verlenen. Kijk goed rondom en in je spiegels.

Voordat je rechts van de weg gaat stoppen voor de manoeuvres:

Knipper naar rechts, zodat het verkeer achter je daarop kan anticiperen. Als je wegrijd vanaf de zijkant moet je ook weer al het verkeer voorrang verlenen. De examinator laat je 2 manoeuvres uitvoeren door middel van een opdracht. Bij één van de twee opdrachten dien je achteruit te rijden. De opdracht voer je uit op de weg waar je rijdt.

Er zijn 3 mogelijkheden:

  1. omkeeropdracht.
  2. parkeeropdracht
  3. stopopdracht

Extra mogelijkheid:

De hellingproef kan steekproefsgewijs extra gevraagd worden. Bij de 3 mogelijke opdrachten mag je zelf kiezen waar en hoe je de opdracht uitvoert. Je kiest de manoeuvre die het veiligst en makkelijkst is, en die het minste het verkeer hindert. Je maakt gebruikt van knipperen of van je alarmlichten.

Omkeeropdracht:

omkeeropdracht

  1. U turn of halve draai, in één keer omdraaien dus. Dit is het beste als het kan, de weg moet wel breed genoeg zijn hiervoor. Als je gaat, naar links knipperen. Door zacht te rijden verklein je de draaicirkel.
  2. Gebruik maken van een zijweggetje. Door er achteruit rechts in te gaan, zodat je vooruit weer de hoofdweg op kan.
  3. Steken in drieën, ofwel straatje keren. Dit doe je als het smal is en er geen zijweg is. Het mag ook niet te druk zijn.
  4. Zijn de voorgaande 3 niet mogelijk maak dan creatief gebruik van de mogelijkheden. Bijvoorbeeld link afslaan in een zijweg, en achteruit rechts de hoofdweg oprijden.

 

Parkeeropdracht

inparkerenachteruit

  1. Vooruit file- parkeren. Als je buitenspiegel gelijk is aan de voorbumper van de geparkeerde auto rechts naast je, dan vooruit langs de zijkant. Bij voorkeur aan de rechterkant van de weg. Van te voren knipperen of alarm zetten.
  2. Achteruit file- parkeren, als je minder ruimte hebt. Van te voren alarm zetten of knipperen. Bij voorkeur aan de rechterkant van de weg.
  3. Achteruit in een vak parkeren, als er vakken zijn aan de rechterkant. Bij vak parkeren heeft dit de voorkeur. Met knipperen naar rechts.
  4. Vooruit in een vak parkeren, op voorwaarde dat het wegrijden achteruit uit het vak gemakkelijk kan.

Stopopdracht

Langs de zijkant van de weg parkeren. Aanrijdend knipper je naar rechts of links en dan aansluiten bij een geparkeerde auto voor je, zodanig dat je nog net vooruit weg kan rijden zonder dat je eerst achteruit te gaan. Er moet dus een auto geparkeerd staan. Bij voorkeur aan de rechterkant van de weg.

Hellingproef:

hellingproefWegrijden op een helling zonder dat je eerst achteruit rolt. Dit doe je door de koppeling op te laten komen tot je voelt dat hij trekt en dan pas de rem loslaten. Voor dat je gaat goed controleren en links knipperen als signaal ik ga rijden.

Tips voor je examen

 

Verkeersregels, veiligheid en doorstroming:

Soms zijn de regels niet goed toepasbaar. Je gezonde verstand van veiligheid of doorstroming moet je dan toepassen. Veiligheid wint het dan altijd en soms ook de doorstroming .

  1. In de wijk: de regel is dan 50 km/uur, soms is dat veel te hard en is bijvoorbeeld 30 km/uur veel veiliger.
  2. Een vrachtwagen blokkeert de rijbaan. Voor de doorstroming mag je dan over de trambaan.
  3. Op de hoofdweg staat een file. Hoe kom ik op de hoofdweg terwijl ik geen voorrang heb? Door oogcontact te zoeken vraag je of je als enige auto er even tussen mag. Jou doorstroming is dan even belangrijker dan de voorrang dit noemen wij gelegenheidsvoorrang.
  4. Het kruispunt staat op slot: iedereen heeft op elkaar voorrang, hier kunnen de regels het niet oplossen, je moet het dus onderling oplossen.

 

Obstakels:

Niet eerst er naar toerijden, maar op tijd er om heen of stop op afstand ( een meter of 15) als er een tegenligger aankomt, niet vlak achter het obstakel staan.

Geldigheidborden:

Voorrangsborden en rijrichtingsborden zijn alleen geldig op het volgende kruispunt of zijweg. Snelheidsborden, stopverboden, parkeerverboden, borden één richtingsweg zijn alleen geldig tot het volgende kruispunt of zijweg. Zone borden zijn geldig tot het bord einde zone.

Afslaan en twee wegen vlak na elkaar:

Als je rechts afslaat en er komt geen verkeer uit het eerste zijweggetje, mag je al knipperen terwijl je niet de eerste zijweg ingaat. Als er wel iemand uit komt, dan mag je niet knipperen.

Nooit op de gok rijden:

Het mag nooit spannend worden, dit principe is van toepassing op alles bijvoorbeeld: altijd zeker weten en nooit gokken dat er niets aankomt bij geen voorrang. Bij smal passeren, als het te smal wordt, dan maar stoppen. Onoverzichtelijke bochten verminder op tijd vaart. Houdt altijd afstand!

Verkeerslichten werken niet:

Kijk meteen hoe het zit met de voorrang, let op verkeerstekens!

Je staat stil voor het rode verkeerslicht:

Houdt je rechtervoet bij het gaspedaal als het groen wordt dan ben je sneller weg. Als je de laatste auto bent in het donker dan is het veiliger om je remlicht te laten branden.

Je hebt haaientanden en een voetganger steekt dwars over:

De voetganger heeft geen voorrang!

Wanneer is het een uitrit/inrit?:

De stoeprand moet doorlopen, dat kan de hele dikke stoeprand zijn van 40 cm, vaak scheef, of de smalle van 20 cm. Hier heeft de voetganger wel voorrang als deze dwars oversteekt.

Een hoofdweg (maar klein kruispunt overteken):

Als de linkerkant vrij is, mag je niet alvast op de helft gaan staan, links en rechts moet allebei vrij zijn, dan pas mag je gaan rijden!

 

Twee voorrangsborden met dezelfde betekenis:

VoorrangsbordenOp het volgende kruispunt of de volgende zijweg voorrang ( kruispunt of zijweg heeft haaientanden). Het gele bord geeft aan dat de voorrang op meerdere kruispunten en zijwegen zal zijn, de zogenaamde voorrangsweg.

Buiten de bebouwde kom is het voorangsbord vlak na een kruispunt geplaats en telt dus op het volgende kruispunt. Binnen de bebouwde kom is het voorangsbord vlak voor het kruispunt geplaats.

 

 

 

De verwarrende pijlen op de weg:

Kijk ver vooruit!

Bij verkeerslichten, de pijl en de bol als je afslaat:

Als je met de groene pijl afslaat weet je zeker dat al het tegemoet komende verkeer op jou weg rood heeft. Als je met een groene bol afslaat moet je goed op het tegemoetkomende verkeer op jou weg letten! Kijk waar je eventueel gaat opstellen.

Opschuiven en de andere auto is zichtbaar in je spiegel:

Veilig opschuiven, mits de andere auto net zo hard gaat als jij.

Gas los voor de bocht, halverwege weer gas bij:

De meeste lesauto’s hebben de motor voorin en hebben voorwiel aandrijving dan stuur je het gemakkelijkste als je aan het begin van de bocht je gas los laat. De auto wil weer rechtdoor als je gas geeft.

Droogsturen:

Als je manoeuvres doet, probeer dan pas te sturen als de auto rolt dus niet droogsturen. Dit is beter voor de banden en de stuur inrichting.

Blokken tussen twee rijstroken:

De rijstroken gaan ieder in een andere richting.

Strepen tussen twee rijstroken:

De rijstroken volgen dezelfde richting.

Voetgangers oversteek plaats:

Als de voetganger binnen 3 meter is, moet je hem/haar voorrang verlenen.

Noodstop:

Koppelen en remmen tegelijkertijd.

Wanneer heeft de tram geen voorrang:

  1. Als de tram haaientanden heeft.
  2. Bij een V.O.P.

 

oranje verkeerslichtOranje verkeerslicht.

Het verkeerslicht gaat van groen naar oranje: Als je nog twee pijlen voor je op het wegdek ziet, stoppen. Let wel op het achteropkomend verkeer ( binnenspiegel) Of het veilig is om te stoppen.

Algemeen: Verkeerslicht is oranje: Als je nog redelijkerwijs kunt stoppen dan moet je stoppen. Kijk achter je of het veilig is.

 

Rijstrook wisselen en geleidelijk sturen:

Niet abrupt sturen, want stel dat je toch iemand naast je hebt!

De blauwe borden met de witte pijlen:

  1. De vierkante of rechthoekige borden: je krijgt een éénrichtingsweg dus geen tegenliggers ( tot het volgende kruispunt)
  2. De ronde blauwe borden: Op het volgende kruispunt mag je alleen doen wat de pijl aangeeft. Bij een bord doodlopende weg, volg je de doorgaande weg.

Gelijkwaardige kruispunten en jouw snelheid:

Bij weinig zicht in principe in de tweede versnelling rijden en goed rechts kijken. Bij weinig zicht hooguit 20 km/uur. Hoop dat er een bestuurder van rechts komt zodat jij kunt laten zien dat je de voorrang snapt.

Dreigen:

Bij voorrang verlenen niet dreigen, je moet het verkeer dat voorrang heeft gerust stellen. Dit is ook beter voor je overzicht, benader de situatie rustig.

Dwingen ( van te voren knipperen) mag niet bij:

  1. Wegrijden vanaf de zijkant
  2. Invoegen op snelweg
  3. Rijstrook wisselen

In de file mag je wel om hulp vragen door van te voren te knipperen.

Voetganger rechtdoor:

Als de voetganger recht doorgaat op dezelfde weg heeft deze voorrang.

Drempels op de weg:

De meeste drempels rijdt je in de tweede versnelling. Uitzondering: soms zijn de drempels zo laag dat het ook in zijn drie kan, eilanddrempels kunnen bijvoorbeeld wel in de drie genomen worden.

Zo laat mogelijk naar de tweede versnelling:

tweede versnellingBij groen verkeerslicht en afslaan, probeer nog het groen te pakken. Bij pijlen op het wegdek kun je vlak voor de laatste pijl remmen en terug schakelen. Bij het afslaan van een hoofdweg maak dan de doorgaande rijstrook snel vrij.

Op tijd naar de tweede versnelling:

Bij kruispunt voorrang verlenen, rustig naderen, 20 meter voordat je bij het kruispunt bent.

 

 

  • Voorrangsbocht: De doorgaande hoofdweg buigt af, soms zelfs haaks. Het is dan vaak toch even handig om te knipperen waar je heen gaat.
  • Inhalen: Gewoon doen als er voor je erg langzaam wordt gereden. Neem zelf een beetje initiatief hierin en wacht niet te veel af. Ook vrachtwagens zijn vaak onhandig om voor je te hebben, zorg dan voor meer zicht
  • Bij dreigend gevaar: Claxon! Ga toeteren.
  • Ambulances Brandweer en Politie: Maak ruimte voor ze als ze alarmsignalen hebben.
  • Wachten bij een spoorwegovergang: Sluit de auto af motor af.

 

Vluchtstrook:

Bij pech parkeer je veilig door zoveel mogelijk opzij op de vluchtstrook te gaan staan bij voorkeur met je banden in de berm.

Het zelfstandige gedeelte van je examen

 navigatie systeem tom tom

De examinator geeft je de helft van je examen 10-15 min, een opdracht zodat jij je eigen route kan rijden. Hij bepaald op wat voor manier dat gebeurd, soms is dat een combinatie van de onder genoemde mogelijkheden. Mocht je even de route kwijt zijn is dat totaal niet erg, probeer het dan daarna weer eenvoudig en veilig te herstellen. Ga dus geen gevaarlijke acties maken.

Met navigatie:

Let op de stem en af toe ook op het scherm wanneer de volgende actie plaats vindt.

Clusteren:

Je krijgt meerdere instructies. Als de examinator einde weg links zegt, bedoelt hij op de T- kruising, waar je dus echt niet rechtdoor kan. Ben je even de weg kwijt dan kun je het gewoon opnieuw vragen.

Wegwijzerborden volgen:

Let ook goed op je voorsorteren, invoegen en uitvoegen. Ver vooruit kijken wat er op de borden staat.

Oriëntatie punt:

Vaak een gebouw, bekend adres, bekend punt. Probeer in de buurt te komen van het doel. Daadwerkelijk aankomen is geen examenonderdeel.

Gevaar herkennen op je examen

 

Kijk ver vooruit en rijdt defensief.

Pas je snelheid en plaats op de weg aan, aan de hoeveelheid potentieel gevaar:

  1. Hoeveelheid zicht

  2. Verkeersborden

  3. Kans op voetgangers

  4. Voorrangssituaties

  5. Geparkeerde auto’s

  6. Breedte van de weg

Samengevat: Je mag nooit op de gok auto rijden en het mag ook nooit spannend worden

 

Ken de auto en de knopjes

De examinator kan een drietal vragen stellen over de auto, dit neemt hij mee in zijn totale beoordeling.

Controle buiten de auto:

Banden:Banden controle

  • Profiel, hoofdgroeven minimaal 1.6 mm
  • Banden spanning (zien banden er niet te slap uit)
  • Ventieldopje, beschermd tegen vuil
  • Beschadiging buitenkant ( door stoepranden)

Onder de auto:

  • Vloeistoffen is er mogelijk ergens lekkage?

Aan de auto:

  • Zijn de ruiten heel en schoon?
  • Zijn de lampen schoon en heel?
  • Staat de auto recht? ( bij een lekke band staat de auto namelijk scheef)
  • Zijn er beschadiging op andere delen van de buitenkant?

schade buitenkant auto

Regelmatig controleren:

  • Oliepijl
  • Bandenspanning
  • Verlichting
  • Ruitenwisservloeistof
  • Koelvloeistof
  • Remolie
  • Accuvloeistof

Controle binnen de auto:

  • Contact maken: doen alle controle lampjes het?
  • Geen losse voorwerpen op hoedenplank?
  • Veiligheidsgordel heel?
  • Geen losse voorwerpen bij de pedalen?
  • Afstellen stoel en spiegels, eerst stoel dan pas spiegels

Dashboard, bediening:

Lichtknop: mistlicht voor achter, stadslicht, dimlicht. Elektische ramen.  Afstellen koplampen. Dashboard verlichting. Richting aanwijzers en grootlicht. Claxon.  Alarmlichten. Ruitenwissers, sproei, interval, stand 1 en 2.  Stuurhoogte verstellen. Achterruit verwarming. Hoofdsteunen instellen. Anti verblindingsknop binnenspiegel.  Ontgrendelen motorkap. Stuurslot ontgrendelen.  Zekeringenhouder. Versnellingspook. Handrem. Ventilator, stellen richting luchtstroom in de auto, temperatuur.  Ventilatieroosters. Tunnelknop, afsluiten buiten lucht stroom. Knop gordels. Interieur verlichting.

Ken de auto en de knopjes

Controle lampjes:

Als tijdens het rijden een oranje lampje gaat branden ga dan snel naar de garage.

Als tijdens het rijden een rood lampje gaat branden snel en veilig parkeren en controleren wat er aan de hand is.

  • A: Motorolie: Druk te laag, te weinig olie in de motor of oliepomp is stuk.
  • B: Elektrisch systeem: De accu laad niet bij: Accu stuk, V snaar stuk, dynamo stuk.
  • C Remsysteem: Handrem staat nog aangetrokken. Remvloeistof, geen druk, remblokjes versleten.
  • D: Temperatuur koelvloeistof: Als dit lampje rood wordt is de temperatuur te hoog en is er iets mis met het koelsysteem. Bijvoorbeeld met te weinig vloeistof of de waterpomp is stuk.

 

Controle meters:

  • controlelampjes autoSnelheidsmeter
  • Toerenteller
  • Brandstofmeter
  • Dagteller
  • Kilometerteller
  • Temperatuurmeter

 

Aanwijzen onder de motorkap:

  • controle buiten de autoAccu
  • Koelvloeistof
  • Ruitenwisservloeistof
  • V-snaar
  • Olie bijvullen of pijlen
  • remvloeistof

 


Psychologische tips, Banaan

Psychologische tips

voorkom stressGa niet aan jezelf denken, alleen maar wat moet ik doen en waar moet ik op letten. Kijk ver voor de auto en focus op alles wat met het autorijden te maken heeft. Neem ook initiatief indien nodig (bijv. inhalen) laat zien dat je een deelnemers bent, laat zien dat je anticipeert door tijdig beslissingen te nemen doe gewoon wat je moet doen ga niet op de examinator letten. Straal verantwoordelijkeheid uit, maar ook zelfvertrouwen, rij vlot, veilig, en zelfstandig. Niet te veel koffie drinken van te voren en een banaan is goed tegen de zenuwen

fouten maken mag maar, welke?

 

De hoeveelheid en soorten fouten die je hebt gemaakt tijdens jouw rit gaat de exmanitor in zijn totaal afwegen en aan de hand daarvan beslist hij of je veilig en vlot genoeg hebt gereden.

Kleine fouten:

De motor slaat af, je vergeet te knipperen, verkeerde versnelling, schokkerig schakelen, te hard remmen, je controle zijwaarts afraffelen, naar beneden kijken tijdens het schakelen, verkeerd schakelen, of tijdens zijwaartse controles te weinig op je buitenspiegels vertrouwen.

Grotere fouten:

Vaak ontstaan deze door te laat anticiperen en te weinig vooruit kijken, waardoor je te laat waarneemt en beslist.

Voorbeeld: voorrang verkeerd beoordelen, voetganger niet zien bij de zebra, te laat insturen bij rechts afslaan, te hoge snelheid bij een drempel, voorsorteer fout, spook rijden.

Continue het zelfde kleine foutje, bijna botsing, te langzaam rijden, snelheid minderen voordat je op de uitrij bent, continue slechte zijwaartse controle, telkens te laat reageren op situaties.

De examenuitslag

Binnen bij het CBR verteld de examinator de examenuitslag.

 

  • Geslaagd: De volgende dag kan je naar de gemeente, je moet dan je identificatie meenemen en 2 pasfoto’s die aan de eisen voldoen. Dan duurt het meestal nog 5 dagen voor dat je het rijbewijs op kunt halen. In de tussentijd mag je niet rijden.

  • Gezakt: De examinator zal je uitleggen waarom hij je rit onvoldoende vond. Hij doet dit mede aan de hand van het zelfreflectieformulier.

rijles-zaandam-alkmaar-heerhugowaard-purmerend-hilversum

Veel succes!

 

Comment Section

1 reactie op “Auto examen hoe doe je dat?


Door René op 2 mei 2017

0 reacties, hoe dan. De info is echt handig vind ik. Sluit goed aan bij mijn theorie. Hier is echt moeite voor gedaan.

Bedankt Roel.

Plaats een reactie


*