547828388708201

Page content

Tips voor je examen

Tips voor je examen

Verkeersregels, veiligheid en doorstroming:

Soms zijn de regels niet goed toepasbaar. Je gezonde verstand van veiligheid of doorstroming moet je dan toepassen. Veiligheid wint het dan altijd en soms ook de doorstroming .

  1. In de wijk: de regel is dan 50 km/uur, soms is dat veel te hard en is bijvoorbeeld 30 km/uur veel veiliger.
  2. Een vrachtwagen blokkeert de rijbaan. Voor de doorstroming mag je dan over de trambaan.
  3. Op de hoofdweg staat een file. Hoe kom ik op de hoofdweg terwijl ik geen voorrang heb? Door oogcontact te zoeken vraag je of je als enige auto er even tussen mag. Jou doorstroming is dan even belangrijker dan de voorrang dit noemen wij gelegenheidsvoorrang.
  4. Het kruispunt staat op slot: iedereen heeft op elkaar voorrang, hier kunnen de regels het niet oplossen, je moet het dus onderling oplossen.

 

Obstakels:

Niet eerst er naar toerijden, maar op tijd er om heen of stop op afstand ( een meter of 15) als er een tegenligger aankomt, niet vlak achter het obstakel staan.

Geldigheidborden:

Voorrangsborden en rijrichtingsborden zijn alleen geldig op het volgende kruispunt of zijweg. Snelheidsborden, stopverboden, parkeerverboden, borden één richtingsweg zijn alleen geldig tot het volgende kruispunt of zijweg. Zone borden zijn geldig tot het bord einde zone.

Afslaan en twee wegen vlak na elkaar:

Als je rechts afslaat en er komt geen verkeer uit het eerste zijweggetje, mag je al knipperen terwijl je niet de eerste zijweg ingaat. Als er wel iemand uit komt, dan mag je niet knipperen.

Nooit op de gok rijden:

Het mag nooit spannend worden, dit principe is van toepassing op alles bijvoorbeeld: altijd zeker weten en nooit gokken dat er niets aankomt bij geen voorrang. Bij smal passeren, als het te smal wordt, dan maar stoppen. Onoverzichtelijke bochten verminder op tijd vaart. Houdt altijd afstand!

Verkeerslichten werken niet:

Kijk meteen hoe het zit met de voorrang, let op verkeerstekens!

Je staat stil voor het rode verkeerslicht:

Houdt je rechtervoet bij het gaspedaal als het groen wordt dan ben je sneller weg. Als je de laatste auto bent in het donker dan is het veiliger om je remlicht te laten branden.

Je hebt haaientanden en een voetganger steekt dwars over:

De voetganger heeft geen voorrang!

Wanneer is het een uitrit/inrit?:

De stoeprand moet doorlopen, dat kan de hele dikke stoeprand zijn van 40 cm, vaak scheef, of de smalle van 20 cm. Hier heeft de voetganger wel voorrang als deze dwars oversteekt.

Een hoofdweg (maar klein kruispunt overteken):

Als de linkerkant vrij is, mag je niet alvast op de helft gaan staan, links en rechts moet allebei vrij zijn, dan pas mag je gaan rijden!

 

Twee voorrangsborden met dezelfde betekenis:

Op het volgende kruispunt of de volgende zijweg voorrang ( kruispunt of zijweg heeft haaientanden). Het gele bord geeft aan dat de voorrang op meerdere kruispunten en zijwegen zal zijn, de zogenaamde voorrangsweg.

Buiten de bebouwde kom is het voorangsbord vlak na een kruispunt geplaats en telt dus op het volgende kruispunt. Binnen de bebouwde kom is het voorangsbord vlak voor het kruispunt geplaats.

De verwarrende pijlen op de weg:

Kijk ver vooruit!

Bij verkeerslichten, de pijl en de bol als je afslaat:

Als je met de groene pijl afslaat weet je zeker dat al het tegemoet komende verkeer op jou weg rood heeft. Als je met een groene bol afslaat moet je goed op het tegemoetkomende verkeer op jou weg letten! Kijk waar je eventueel gaat opstellen.

Opschuiven en de andere auto is zichtbaar in je spiegel:

Veilig opschuiven, mits de andere auto net zo hard gaat als jij.

Gas los voor de bocht, halverwege weer gas bij:

De meeste lesauto’s hebben de motor voorin en hebben voorwiel aandrijving dan stuur je het gemakkelijkste als je aan het begin van de bocht je gas los laat. De auto wil weer rechtdoor als je gas geeft.

Droogsturen:

Als je manoeuvres doet, probeer dan pas te sturen als de auto rolt dus niet droogsturen. Dit is beter voor de banden en de stuur inrichting.

Blokken tussen twee rijstroken:

De rijstroken gaan ieder in een andere richting.

Strepen tussen twee rijstroken:

De rijstroken volgen dezelfde richting.

Voetgangers oversteek plaats:

Als de voetganger binnen 3 meter is, moet je hem/haar voorrang verlenen.

Noodstop:

Koppelen en remmen tegelijkertijd.

Wanneer heeft de tram geen voorrang:

  1. Als de tram haaientanden heeft.
  2. Bij een V.O.P.

 

Oranje verkeerslicht.

Het verkeerslicht gaat van groen naar oranje: Als je nog twee pijlen voor je op het wegdek ziet, stoppen. Let wel op het achteropkomend verkeer ( binnenspiegel) Of het veilig is om te stoppen.

Algemeen: Verkeerslicht is oranje: Als je nog redelijkerwijs kunt stoppen dan moet je stoppen. Kijk achter je of het veilig is.

 

Rijstrook wisselen en geleidelijk sturen:

Niet abrupt sturen, want stel dat je toch iemand naast je hebt!

De blauwe borden met de witte pijlen:

  1. De vierkante of rechthoekige borden: je krijgt een éénrichtingsweg dus geen tegenliggers ( tot het volgende kruispunt)
  2. De ronde blauwe borden: Op het volgende kruispunt mag je alleen doen wat de pijl aangeeft. Bij een bord doodlopende weg, volg je de doorgaande weg.

Gelijkwaardige kruispunten en jouw snelheid:

Bij weinig zicht in principe in de tweede versnelling rijden en goed rechts kijken. Bij weinig zicht hooguit 20 km/uur. Hoop dat er een bestuurder van rechts komt zodat jij kunt laten zien dat je de voorrang snapt.

Dreigen:

Bij voorrang verlenen niet dreigen, je moet het verkeer dat voorrang heeft gerust stellen. Dit is ook beter voor je overzicht, benader de situatie rustig.

Dwingen ( van te voren knipperen) mag niet bij:

  1. Wegrijden vanaf de zijkant
  2. Invoegen op snelweg
  3. Rijstrook wisselen

In de file mag je wel om hulp vragen door van te voren te knipperen.

Voetganger rechtdoor:

Als de voetganger recht doorgaat op dezelfde weg heeft deze voorrang.

Drempels op de weg:

De meeste drempels rijdt je in de tweede versnelling. Uitzondering: soms zijn de drempels zo laag dat het ook in zijn drie kan, eilanddrempels kunnen bijvoorbeeld wel in de drie genomen worden.

Zo laat mogelijk naar de tweede versnelling:

Bij groen verkeerslicht en afslaan, probeer nog het groen te pakken. Bij pijlen op het wegdek kun je vlak voor de laatste pijl remmen en terug schakelen. Bij het afslaan van een hoofdweg maak dan de doorgaande rijstrook snel vrij.

Op tijd naar de tweede versnelling:

Bij kruispunt voorrang verlenen, rustig naderen, 20 meter voordat je bij het kruispunt bent.

  • Voorrangsbocht: De doorgaande hoofdweg buigt af, soms zelfs haaks. Het is dan vaak toch even handig om te knipperen waar je heen gaat.
  • Inhalen: Gewoon doen als er voor je erg langzaam wordt gereden. Neem zelf een beetje initiatief hierin en wacht niet te veel af. Ook vrachtwagens zijn vaak onhandig om voor je te hebben, zorg dan voor meer zicht
  • Bij dreigend gevaar: Claxon! Ga toeteren.
  • Ambulances Brandweer en Politie: Maak ruimte voor ze als ze alarmsignalen hebben.
  • Wachten bij een spoorwegovergang: Sluit de auto af motor af.

 

Vluchtstrook:

Bij pech parkeer je veilig door zoveel mogelijk opzij op de vluchtstrook te gaan staan bij voorkeur met je banden in de berm.

 

    Comment Section

    0 reacties op “Tips voor je examen

    Plaats een reactie


    *