547828388708201

Page content

article content

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • aanhangwagens: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers;

  • ambulance: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor ambulancezorg als bedoeld in de Tijdelijke wet ambulancezorg;

  • autobus: motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

  • autosnelweg: weg, aangeduid door bord G1 van bijlage I; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit;

  • autoweg: weg, aangeduid door bord G3 van bijlage I; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit;

  • bedrijfsauto: bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

  • bestelauto: motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;

  • bestemmingsverkeer: bestuurders wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen;

  • bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers;

  • bestuurder van een motorvoertuig:

    • 1.hij die het motorvoertuig bestuurt of

    • 2.voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C, D of E, is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet;

  • bevoegd gezag: gezag als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet;

  • brombakfiets: bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen en uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier;

  • brommobiel: bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie;

  • busbaan: rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;

  • busstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht;

  • dag: de periode tussen zonsopgang en zonsondergang;

  • diensten voor spoedeisende medische hulpverlening: de op grond van artikel 6 van de Tijdelijke wet ambulancezorg aangewezen Regionale Ambulancevoorzieningen, alsmede andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een meldkamer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Tijdelijke wet ambulancezorg bezig houden met het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening;

  • dierenambulance: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren;

  • doorgaande rijbaan: rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken;

  • driewielig motorvoertuig: driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

  • fietsstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht;

  • gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is;

  • geslotenverklaring: verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken;

  • haaietanden: voorrangsdriehoeken op het wegdek;

  • invoegstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden;

  • kruispunt: kruising of splitsing van wegen;

  • ligplaats: ligplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

  • lijnbus: motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000;

  • militaire kolonne: een aantal zich achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen, onder één commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens voeren;

  • motorfiets: motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspan- of aanhangwagen;

  • motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;

  • nacht: de periode tussen zonsondergang en zonsopgang;

  • overweg: kruising van een weg en een spoorweg die wordt aangeduid door middel van bord J12 of J13 van bijlage 1;

  • parkeerhaven of parkeerstrook: langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen;

  • parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;

  • personenauto: personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

  • puntstuk: meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen;

  • richtlijn 97/24/EG: richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226);

  • rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden;

  • rijstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken;

  • snorfiets:

  • speed-pedelec: elektrische bromfiets met trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht aanhoudt als het voertuig de snelheid van 25 km per uur overschrijdt;

  • spitsstrook: de vluchtstrook die als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01 van bijlage 1;

  • T100-bus: autobus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs of uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.

    Met een T100-bus als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een autobus die is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en ten aanzien waarvan uit het kentekenbewijs of uit een verklaring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling, afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd, blijkt dat de autobus geschikt is voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur;

  • uitrijstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten;

  • uitvaartstoet van motorvoertuigen: een stoet, bestaande uit motorvoertuigen, die een lijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de lijkbezorging of de as van een gecremeerd lijk begeleiden en die de in artikel 30cbedoelde herkenningstekens voeren;

  • veiligheidscel: onderdeel van de constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel;

  • verdrijvingsvlak: gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht;

  • verkeer: alle weggebruikers;

  • verkeersregelaar: persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • verlicht transparant: verlicht transparant als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

  • vluchthaven of vluchtstrook: door een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen, behoudens voor de duur van openstelling als spitsstrook;

  • voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens;

  • voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29;

  • voorrang verlenen: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen;

  • vrachtauto: motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg;

  • weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen;

  • wetWegenverkeerswet 1994;

  • zitplaats: zitplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.

Artikel 1a

Onder de vermelding in dit besluit van een EG-richtlijn of VN/ECE-reglement wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.2 van de Regeling voertuigen, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigenbekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2

  • 1De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.

  • 2De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen.

  • 3De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde kolonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.

Artikel 2a

De regels van dit besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen, tenzij anders is bepaald.

Artikel 2b

De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.

Hoofdstuk II. Verkeersregels

§ 1. Plaats op de weg

Artikel 3

  • 1Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.

  • 2Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.

Artikel 4

  • 1Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.

  • 2Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

  • 3Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

  • 4In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt.

Artikel 5

  • 1Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.

  • 2Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

  • 3Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.

  • 4Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken.

  • 5Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.

  • 6Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.

  • 7Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid.

Artikel 6

  • 1Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.

  • 2Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.

  • 3Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, gebruiken de rijbaan.

Artikel 7

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan.

Artikel 8

  • 1Ruiters gebruiken het ruiterpad.

  • 2Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.

Artikel 9

Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een kolonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.

Artikel 10

  • 1Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

  • 2Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

§ 2. Inhalen

Artikel 11

  • 1Inhalen geschiedt links.

  • 2Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.

  • 3Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.

  • 4Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.

  • 5Bestuurders mogen trams rechts inhalen.

Artikel 12

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.

§ 3. Files

Artikel 13

  • 1Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd.

  • 2Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.

§ 4. Oprijden van kruispunten

Artikel 14

Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren.

§ 5. Verlenen van voorrang

Artikel 15

  • 1Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.

  • 2Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen:

    • a.bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg;

    • b.bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.

  • § 5a. Gedrag bij overwegen

    Artikel 15a

    • 1Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken.

    • 2Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij.

    § 6. Doorsnijden militaire kolonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen

    Artikel 16

    Weggebruikers mogen militaire kolonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden.

    § 7. Afslaan

    Artikel 17

    • 1Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door:

      • a.indien zij naar rechts willen afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden;

      • b.indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden.

    • 2Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven.

    Artikel 18

    • 1Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.

    • 2Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.

    • 3Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram.

    § 8. Maximumsnelheid

    Artikel 19

    De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

    Artikel 20

    Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

    • a.voor motorvoertuigen 50 km per uur;

    • b.voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

      • 1.op het fiets/bromfietspad 30 km per uur;

      • 2.op de rijbaan 45 km per uur;

      • 3.op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 30 km per uur;

    • c.voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

    Artikel 21

    Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

    • a.voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;

    • b.voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

      • 1.op het fiets/bromfietspad 40 km per uur;

      • 2.op de rijbaan 45 km per uur;

      • 3.op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 40 km per uur;

    • c.voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

    Artikel 22

    Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:

    • a.voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;

    • b.voor T100-bussen 100 km per uur;

    • c.voor landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met aanhangwagen, 25 km per uur;

    • d.voor brommobielen 45 km per uur;

    • e.voor snorfietsen 25 km per uur;

    • f.voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur;

    • g.voor andere dan de in onderdelen c en f genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur.

    Artikel 22a [Vervallen per 01-01-2011]

    § 9. Stilstaan

    Artikel 23

    • 1De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

      • a.op een kruispunt of een overweg;

      • b.op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;

      • c.op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;

      • d.in een tunnel;

      • e.bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;

      • f.op de rijbaan langs een busstrook en

      • g.langs een gele doorgetrokken streep.

    • 2Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

    § 10. Parkeren

    Artikel 24

    • 1De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

      • a.bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;

      • b.voor een inrit of een uitrit;

      • c.buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;

      • d.op een parkeergelegenheid:

        • 1°.voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen;

        • 2°.op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;

        • 3°.op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden;

      • e.langs een gele onderbroken streep;

      • f.op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;

      • g.op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.

    • 2Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.

    • 3De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.

    • 4Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.

    Artikel 25

    • 1Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.

    • 2Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.

    • 3Op de parkeerschijf staat aan de getoonde zijde slechts één cijferreeks, die een aanduiding geeft van de kalenderuren, en die vanaf het begin van het parkeren in duidelijk leesbare cijfers tegen een contrasterende achtergrond in hele of halve uren het tijdstip weergeeft waarop met het parkeren is begonnen. Een parkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt.

    • 4Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken.

    • 5Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren.

    Artikel 26

    • 1Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

      • a.een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;

      • b.een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of

      • c.indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig.

    • 2Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep.

    § 11. Het plaatsen van fietsen en bromfietsen

    Artikel 27

    Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.

    § 12. Signalen en herkenningstekens

    Artikel 28

    Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.

    Artikel 29

    • 1Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.

    • 2De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren.

    • 3Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen.

    Artikel 30

    • 1Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid, genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.

    • 2Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd.

    Artikel 30a

    • 1Bestuurders van de in artikel 29, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen mogen onder nader aan te geven omstandigheden extra richtingaanwijzers voeren.

    • 2Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de in het eerste lid bedoelde richtingaanwijzers en de omstandigheden waarin deze worden gebruikt.

    Artikel 30b

    De artikelen 29 tot en met 30a zijn niet van toepassing op Belgische en Duitse motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, in gebruik bij diensten voor spoedeisende hulpverlening alsmede motorvoertuigen van Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten, aangewezen bij of krachtens artikel 29, eerste lid, mits deze voertuigen elk de signalen voeren overeenkomstig de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels.

    Artikel 30c

    De motorvoertuigen die onderdeel uitmaken van een uitvaartstoet van motorvoertuigen voeren een herkenningsteken. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het herkenningsteken en de wijze waarop dit wordt gevoerd.

    Artikel 31

    Signalen mogen niet worden gegeven en de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens mogen niet worden gevoerd in andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in deze paragraaf is bepaald.

    § 13. Gebruik van lichten tijdens het rijden

    Artikel 32

    • 1Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet, een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen bedoelde lichten.

    • 2Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:

      • a.bij dag;

      • b.bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en

      • c.bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig.

    • 3Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.

    Artikel 33

    Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.

    Artikel 34

    • 1Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren. In dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren.

    • 2Bij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht worden gevoerd.

    Artikel 35

    • 1Fietsers voeren tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.

    • 2Een fiets op twee wielen en een fiets op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een wit of geel licht dat aan de voorzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst.

    • 3Op een fiets op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten aan de voorzijde twee witte of twee gele symmetrisch links en rechts van het midden bevestigde lichten worden gevoerd.

    • 4Een fiets moet zijn voorzien van een rood achterlicht dat aan de achterzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug.

    • 5Een fiets mag zijn voorzien van twee ambergeel licht stralende richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde.

    • 6Er mogen niet meer lichten worden gevoerd op een fiets, door de bestuurder daarvan of door een achter de bestuurder gezeten passagier dan de in het tweede tot en met vijfde lid genoemde lichten.

    Artikel 35a

    • 1De in artikel 35 bedoelde verlichting mag andere weggebruikers niet verblinden.

    • 3De in artikel 35, eerste tot en met vierde lid, bedoelde verlichting moet:

      • a.aan de voorzijde voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomende weggebruikers;

      • b.aan de achterzijde voortdurend zichtbaar zijn voor van achteren naderende weggebruikers.

    • Artikel 35b

      • 1Bestuurders van een wagen voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht.

      • 2Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of het fiets-/bromfietspad.

      Artikel 35c

      De artikelen 35, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, en 35a zijn van overeenkomstige toepassing op bestuurders van snorfietsen, zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet.

      Artikel 36

      Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht moet stralen.

      Artikel 37

      Door voetgangers gevormde kolonnes en optochten moeten buiten de bebouwde kom bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht aan de linker voorzijde een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn meevoeren.

      § 14. Gebruik van lichten tijdens het stilstaan

      Artikel 38

      Bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht voeren.

      Artikel 39

      Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren.

      Artikel 40

      Stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren.

      § 15. Bijzondere lichten

      Artikel 41

      • 1Onverminderd artikel 32, eerste lid, mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren. Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de voorzijde van het voertuig gevoerd.

      • 2Bestuurders van een motorvoertuig mogen, indien deze verlichting krachtens de Regeling voertuigen voor dat motorvoertuig is toegestaan, tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bochtlicht, hoeklicht, manoeuvreerlichten, markeringslichten of staaklichten voeren, waarbij voor het mogen voeren van manoeuvreerlichten een maximumsnelheid geldt van 10 km per uur.

      Artikel 41a

      • 1Verlichte transparanten die informatie bieden over de bestemming of het gebruik van het voertuig mogen worden gevoerd door:

        • a.personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen:

        • b.autobussen van openbaar vervoerdiensten;

        • c.bedrijfsauto’s van transportbegeleiders;

        • d.personen- en bedrijfsauto’s ingericht als dierenambulance;

        • e.taxi’s.

      • 2Personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef mogen slechts zijn voorzien van een verlicht transparant die de ingevolge het Reglement rijbewijzenvoorgeschreven letter «L» weergeeft.

      • 3Onverminderd het eerste lid mogen:

        • a.verlichte transparanten die worden gevoerd door de voertuigen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4° en onderdeel c, aanwijzingen weergeven voor het overige wegverkeer,

        • b.taxi’s zijn voorzien van verlichte transparanten die de volgende informatie weergeven:

          • 1°.tarieven;

          • 2°.naam van het taxibedrijf; en

          • 3°.telefoonnummer van het taxibedrijf.

      • 4Taxi’s die zijn voorzien van verlichte transparanten die tarieven weergeven, mogen deze verlichting slechts voeren wanneer zij zich op een taxistandplaats bevinden.

      • 5Verlichte transparanten worden niet gevoerd door andere voertuigen dan genoemd in het eerste lid en worden niet gevoerd op een andere wijze dan bepaald in het eerste tot en met vierde lid.

      § 16. Autosnelwegen en autowegen

      Artikel 42

      • 1Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.

      • 2Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden.

      Artikel 43

      • 1Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.

      • 2Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan.

      • 3Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

      • 4Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren.

      § 17. Erven

      Artikel 44

      Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken.

      Artikel 45

      Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur.

      Artikel 46

      • 1Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.

      • 2Indien het erf tevens is aangeduid als parkeerschijf-zone, is ten aanzien van het parkeren van voertuigen artikel 25 van toepassing.

      § 18. Rotondes

      Artikel 47

      Het is bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden.

      Artikel 48

      Het is bestuurders toegestaan vlak voor of op rotondes rechts in te halen.

      § 19. Voetgangers

      Artikel 49

      • 1Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.

      • 2Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.

      • 3Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

      • 4Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van toepassing is.

      § 20. Voorrangsvoertuigen

      Artikel 50

      Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

      § 21. Loslopend vee

      Artikel 51

      • 1Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.

      • 2Het eerste lid geldt niet ten aanzien van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.

      § 22. In- en uitstappende passagiers

      Artikel 52

      Bestuurders die een stilstaande tram of autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven.

      § 23. Slepen

      Artikel 53

      Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.

      § 24. Bijzondere manoeuvres

      Artikel 54

      Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.

      Artikel 55

      Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.

      Artikel 56

      • 1Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt.

      • 2Het eerste lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.

      § 25. Onnodig geluid

      Artikel 57

      Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.

      § 26. Gevarendriehoek

      Artikel 58

      • 1Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.

      • 2De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert.

      • 3Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.

      § 26a. Zitplaatsen

      Artikel 58a

      • 1Tijdens deelname aan het verkeer zitten bestuurders en passagiers op de voor hen bestemde zitplaatsen.

      • 2Het eerste lid is niet van toepassing op:

        • a.staande passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan;

        • b.passagiers van autobussen zonder staanplaatsen bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet;

        • c.passagiers die worden vervoerd overeenkomstig artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d;

        • d.passagiers, jonger dan 3 jaar, in autobussen;

        • e.passagiers jonger dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is bevestigd en is voorzien van autogordels;

        • f.het vervoer van passagiers die gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in artikel 59, vierde lid;

        • g.het vervoer van één persoon van 8 jaar of ouder op de bagagedrager door fietsers met uitzondering van snorfietsers.

        • h.passagiers die gebruik maken van een ligplaats, indien op één ligplaats ten hoogste één passagier is gelegen.

      • 3In afwijking van het eerste lid worden op fietsen en bromfietsen passagiers jonger dan 8 jaar alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten.

      • 4Het is bestuurders verboden passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

      § 27. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

      Artikel 59

      • 1Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn.

      • 2Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.

      • 3Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.

      • 4Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van:

        • a.de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig,

        • b.de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of

        • c.een door Onze Minister aangewezen constructie.

      • 5Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.

      • 6Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, derde lid, van die wet, of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen.

      • 7De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen.

      • 8Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

      • 9Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.

      Artikel 59a

      • 1Bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer.

      • 2Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren:

        • a.door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;

        • b.door audiovisuele middelen;

        • c.door opschriften of het volgende pictogram:

          Bijlage 219037.png

          Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht.

      • 3In afwijking van het eerste lid behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken.

      • 4Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

      • 5Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd.

      Artikel 59b

      • 1In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt. Artikel 59, zevende lid, is van toepassing.

      • 2In afwijking van artikel 59, eerste lid, tweede volzin, en achtste lid, mogen in incidentele gevallen en over korte afstand in personenauto’s en bestelauto’s op andere dan de voorste zitplaatsen passagiers die 3 jaar of ouder zijn en met een lengte van minder dan 1,35 meter worden vervoerd wanneer deze passagiers een autogordel gebruiken. Dit geldt niet met betrekking tot passagiers waarvan een ouder de auto bestuurt dan wel daarvan eigenaar of houder is.

      § 28. Helmen

      Artikel 60

      • 1De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, zesde lid van de wet.

      • 2Het eerste lid geldt niet voor:

        • a.de bestuurder en de passagiers van een snorfiets;

        • b.de bestuurder en de achter hem zittende passagier van een brombakfiets;

        • c.de bestuurder of de passagier van een door de Dienst Wegverkeer aangewezen type bromfiets, niet zijnde een brommobiel, of motorfiets van wie de zitplaats beschermd wordt door een veiligheidscel en voorzien is van een autogordel, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt. Bij de aanwijzing kan onderscheid gemaakt worden tussen de bestuurder en de passagiers ten aanzien van de gelding van het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld betreffende de eisen waaraan een type bromfiets of motorfiets moet voldoen om te kunnen worden aangewezen. Deze regels zien in elk geval op de eisen die gesteld worden aan de veiligheidscel en de autogordels;

        • d.de bestuurders of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van twee bevestigingspunten onder en één bevestigingspunt boven voor een autogordel overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig zoals die gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en waarbij de autogordel voldoet aan artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen of aan artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt.

      • 3Het is bestuurders verboden passagiers beneden de twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

      § 29. Zitplaats kinderen op fietsen en bromfietsen [Vervallen per 01-07-2010]

      Artikel 61 [Vervallen per 01-07-2010]

      § 30. Gebruik van mobiele telecommunicatieapparatuur

      Artikel 61a

      Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. Onder een mobiele telefoon wordt verstaan een apparaat dat bestemd is voor het gebruik van mobiele openbare telecommunicatiediensten.

      § 31. Vervoer van personen in of op aanhangwagens en in laadruimten

      Artikel 61b

      • 1Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets.

      • 2Het eerste lid is niet van toepassing:

        • a.op het vervoer van personen in de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer.

        • b.op het vervoer van personen in de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

        • c.op het vervoer van een persoon op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken voertuig als hier bedoeld, voor wie geen zitplaats in het trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is;

        • d.in het geval het vervoer van personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven;

        • e.op het vervoer van personen met een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen indien voor dit vervoer een vergunning door het bevoegd gezag is afgegeven.

      Hoofdstuk III. Verkeerstekens

      § 1. Algemene bepalingen

      Artikel 62

      Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

      Artikel 63

      Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.

      Artikel 63a

      Tijdelijke geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn.

      Artikel 63b

      • 1Wanneer verkeerstekens die een maximumsnelheid aanduiden een hogere snelheid aangeven dan :

        geldt de laagste aangegeven snelheid.

      • 2Indien zowel door verkeerstekens op borden als door elektronische signaleringsborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid.

      Artikel 64

      Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.

      § 2. Verkeersborden

      Artikel 64a

      Verkeersborden mogen op een elektronisch signaleringsbord worden weergegeven.

      Artikel 65

      • 1Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken.

      • 2De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst.

      • 3Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten.

      Artikel 66

      • 1Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied.

      • 2Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.

      • 3Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, als bord E 10 van bijlage 1 is geplaatst.

      Artikel 67

      • 1Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden:

        • a.een nadere uitleg van het verkeersbord;

        • b.ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag;

        • c.ingeval op een onderbord het woord “uitgezonderd” in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag.

      • 2Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.

      • 3Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1zijn opgenomen.

      § 3. Verkeerslichten

      Artikel 68

      • 1Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

        • a.groen licht: doorgaan;

        • b.geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

        • c.rood licht: stop.

      • 2Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting.

      • 3Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

      • 4Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden.

      • 5Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

      • 6Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan.

      • 7Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook.

      Artikel 69

      • 1Bij tweekleurige verkeerslichten betekent:

        • a.geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

        • b.rood licht: stop.

      • 2Het tweede tot en met zevende lid van artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing.

      Artikel 70

      • 1Bij tram/buslichten betekent:

        • a.wit licht of wit knipperlicht: doorgaan;

        • b.geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

        • c.rood licht: stop.

      • 2Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen.

      • 3De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft.

      • 4De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft.

      Artikel 71

      Bij overweglichten betekent:

      • a.wit knipperlicht: er nadert geen trein;

      • b.rood knipperlicht: stop.

      Artikel 72

      Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop.

      Artikel 73

      Bij rijstrooklichten betekent:

      • a.groene pijl of maximumsnelheid, aangeduid door bord A3 van bijlage I: de rijstrook mag worden gebruikt;

      • b.rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden gebruikt;

      • c.witte pijl: voorwaarschuwing rood kruis;

      • d.het woord «BUS»: de rijstrook mag slechts gebruikt worden door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus;

      • e.het woord «LIJNBUS»: de rijstrook mag slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus.

      Artikel 74

      • 1Bij voetgangerslichten betekent:

        • a.groen licht: voetgangers mogen oversteken;

        • b.groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoedig;

        • c.rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen over te steken; reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen.

      • 2Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75, mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan.

      Artikel 75

      Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden.

      § 4. Verkeerstekens op het wegdek

      Artikel 76

      • 1Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen.

      • 2Het eerste lid is niet van toepassing:

        • a.indien de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten;

        • b.indien aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht;

        • c.op bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken, indien er tussen die fietsstrook en de ernaast gelegen rijstrook een doorgetrokken streep is aangebracht.

      Artikel 77

      • 1Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken.

      • 2Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.

      • 3Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders rechtmatig een busbaan of busstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert.

      Artikel 78

      • 1Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook.

      • 2Bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft.

      Artikel 79

      Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.

      Artikel 80

      Haaietanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.

      Artikel 81

      Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram.

      Hoofdstuk IV. Aanwijzingen

      § 1. Verplichtingen weggebruikers

      Artikel 82

      • 1Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door:

        • a.de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren,

        • b.de militairen van de Koninklijke Marechaussee voor zover niet behorend tot de in onderdeel a bedoelde ambtenaren,

        • c.de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars, en

        • d.de personen die optreden tijdens de praktijklessen of het praktijkexamen in het kader van een opleiding tot verkeersregelaar of een cursus voor verkeersregelaars, voor de duur van deze praktijklessen of dit praktijkexamen en voor zover gebruik wordt gemaakt van de bij ministeriële regeling voor verkeersregelaars voorgeschreven kleding.

      • 2Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven.

      • 3Bestuurders zijn tevens verplicht de in bijlage II, onderdeel 8, vastgestelde aanwijzing om te stoppen op te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersbrigadiers.

      • 4Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een stopteken volgens model F10 van bijlage 1, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond.

      Artikel 82a

      Weggebruikers zijn voorts verplicht de aanwijzingen op te volgen die worden gegeven door middel van de verlichte transparanten op personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 41a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 4°, genoemde diensten en op bedrijfsauto’s van transportbegeleiders.

      Artikel 83

      Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen een stopteken wordt getoond dat bestaat uit een rode lamp dan wel uit een aan een voertuig van de politie of van weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat aangebracht verlicht transparant, waarin de woorden “stop” of “stop politie” in rode letters tegen donkere achtergrond worden verlicht.

      § 2. Rangorde aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels

      Artikel 84

      Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.

      Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten

      § 1. Uitzonderingen voor gehandicapten

      Artikel 85

      • 1Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.

      • 3Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte.

      • 4In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.

      § 2. Buiten Nederland afgegeven gehandicaptenparkeerkaarten

      Artikel 86

      Met een gehandicaptenparkeerkaart worden gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven parkeerkaarten voor gehandicapten, voor zover deze bij ministeriële regeling zijn aangewezen.

      Hoofdstuk VA. Tijdelijke verlaging maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer

      Artikel 86a

      • 1In geval van een ernstige verstoring van de olieaanvoer kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat op autosnelwegen en op autowegen, in afwijking van artikel 21, aanhef en onderdeel a, voor motorvoertuigen een maximumsnelheid geldt van 90 kilometer per uur.

      • 2Het eerste lid is niet van toepassing op vrachtauto’s, motorvoertuigen met aanhangwagen of autobussen, niet zijnde T100-bussen.

      • 3Onze Minister stelt de regeling, als bedoeld in het eerste lid, vast in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken.

      • 4De regeling, als bedoeld in het eerste lid, vervalt uiterlijk met ingang van de eerste dag van de vijfde kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding.

      Artikel 86b

      Het is de bestuurders van de in artikel 86a, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen verboden de ingevolge artikel 86a bepaalde maximumsnelheid te overschrijden.

      Hoofdstuk VB. Milieuzones

      Artikel 86c

      In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

      • a.datum van de eerste toelating tot het verkeer: datum van de eerste toelating van een motorvoertuig tot het verkeer op de weg zoals vastgesteld ingevolge bijlage II bij de Regeling voertuigen;

      • b.dieselmotor: motor die werkt volgens het principe van ontsteking door compressie;

      • c.richtlijn 2005/55/EG: richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking (PbEG 2005, L 275) zoals die luidde tot 31 december 2013;

      • d.Euronorm IV: richtlijn 2005/55/EG (de grenswaarden in rij B1 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij die richtlijn).

      Artikel 86d

      • 1De geslotenverklaring krachtens bord C22a van bijlage I is niet van toepassing op vrachtauto’s:

        • 1°.waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of

        • 2°.die niet worden aangedreven door een dieselmotor.

      • 2Vrachtauto’s waarvan ten aanzien van de emissienorm geen aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs aanwezig is, worden voor de toepassing van het eerste lid geacht ten minste te voldoen aan Euronorm IV, wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2005 ligt.

       

    • Hoofdstuk VI. Ontheffingen en vrijstellingen

      § 1. Algemeen

      Artikel 87

      Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid45, eerste en tweede lid6, eerste, tweede en derde lid81023, eerste lid2425264243465361b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22a, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 7376777881 en 98.

      § 2. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

      Artikel 88

      • 1Indien op grond van medische noodzaak toepassing wordt gevraagd van artikel 149, tweede lid, van de wet voor wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van een arts worden verlangd.

      • 2De ontheffing vermeldt een geldigheidsduur van maximaal twintig jaar.

      • 3Op de ontheffing wordt het symbool zoals aangeduid in artikel 5 van de richtlijn nr 91/671/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton (PbEG L 373) aangebracht.

      • 4Een wijziging van de richtlijn nr 91/671/EEG gaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

      • 5De aan de behandeling van de aanvraag van een ontheffing van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de aanvrager gebracht.

      § 3

      Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1995]

      § 4

      Artikel 90 [Vervallen per 01-01-1995]

      § 5. Voorrangsvoertuigen

      Artikel 91

      Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.

      Hoofdstuk VII. Strafbepalingen

      Artikel 92

      • 2Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

      Hoofdstuk VIII. Overgangsbepalingen

      Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 95 [Vervallen per 01-05-2009]

      Artikel 96

      • 1De in de rechterkolom genoemde borden volgens het model van bijlage 2, behorende bij het met ingang van 1 november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Stb. 1966, 181), blijven van kracht. Zij hebben de betekenis die is toegekend aan de overeenkomstige in de linker kolom genoemde borden opgenomen in bijlage 1 van het RVV 1990.

      • 2In afwijking van het eerste lid behouden de in de rechter kolom genoemde borden 46 en 47 de betekenis die daaraan is toegekend in het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde reglement. Zij blijven van kracht tot 1 januari 2009.

      Bijlage I RVV 1990

      Bijlage II RVV 1966

      A1

      1

      A2

      2

      A4

      1a (eerste model)

      A5

      2a (eerste model)

      B1

      6

      B2

      7

      B3

      8

      B4

      8 (uitgevoerd conform onderschrift)

      B5

      8 (uitgevoerd conform onderschrift)

      B7

      10

      C3

      13

      C4

      14

      C6

      17

      C7

      17a

      C8

      17b

      C10

      18

      C11

      19

      C12

      20

      C13

      21

      C14

      22

      C15

      23

      C16

      27

      C17

      32

      C18

      33

      C19

      34

      C20

      35

      C21

      36

      C22

      98a

      D1

      15

      D2

      16

      D3

      63

      D4 tot en met D6

      46 en 47

      E3

      52

      E4

      99

      E5

      54a

      E6

      54b en 54c

      E7

      54d

      E8

      99 (met onderbord waarop de betrokken categorie is aangegeven)

      E9

      99a

      E10

      53

      E11

      54

      F1

      40

      F2

      41

      F3

      42

      F4

      43

      F5

      44

      F6

      45

      F7

      48

      F8

      55

      G1

      57a

      G2

      58a

      G3

      57b

      G4

      58b

      G5

      57c

      G6

      58c

      G7

      61

      G11

      59

      G13

      60

      H1

      3 en 4

      H2

      5

      J2

      66

      J3

      67

      J4

      69

      J5

      68

      J1

      73

      J15

      79

      J16

      80

      J20

      82

      J21

      83

      J22

      84

      J23

      84

      J24

      87

      J25

      85

      J26

      86

      J27

      88

      J28

      89

      J29

      91

      J31

      93

      J33

      94a

      J34

      94b

      J35

      94c

      J37

      90

      K14

      98

      L2

      96

      L3

      102

      L4

      100

      L8

      101, onderdeel a

      L9

      101, onderdeel b

      Artikel 97

      Bewegwijzeringsborden, geplaatst voor 1 november 1991, blijven van kracht totdat zij door in bijlage I vastgestelde borden zijn vervangen.

      Artikel 98

      • 1Een speed-pedelec kan tot en met 30 juni 2017 zijn voorzien van een kentekenplaat als bedoeld in artikel 3, achtste lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten, indien:

        • a.voor het voertuig een typegoedkeuring is verleend, als bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad (PbEU 2002, L 124), of

        • b.voor het voertuig een individuele goedkeuring is verleend, als bedoeld in artikel 26 van de wet.

      • 2Tot en met 30 juni 2017 wordt een speed-pedelec die is voorzien van een kentekenplaat, als bedoeld in het eerste lid, voor de toepassing van dit besluit aangemerkt als een snorfiets.

      • 3Van een speed-pedelec als bedoeld in het eerste lid, wordt de snelheid waarbij de aandrijfkracht van de trapondersteuning wordt onderbroken, opgenomen in het kentekenregister.

      Artikel 99 [Vervallen per 01-01-1995]

      Hoofdstuk IX. Wijziging van het wegenverkeersreglement

      Artikel 100 [Vervallen per 01-01-1995]

      Hoofdstuk X. Wijziging van de bijlage, behorende bij het Wegenverkeersreglement

      Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1995]

      Hoofdstuk XI. Wijziging van andere Besluiten

      Artikel 102 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 103 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 105 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 106 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 107 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 108 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 109 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 110 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 111 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 112 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 113 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 114 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 115 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 116 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 117 [Vervallen per 01-01-1995]

      Artikel 118 [Vervallen per 01-01-1995]

      Hoofdstuk XII. Intrekking RVV 1966

      Artikel 119 [Vervallen per 01-01-1995]

      Hoofdstuk XIII. Inwerkingtreding

      Artikel 120

      De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

      Hoofdstuk XIV. Citeertitel

      Artikel 121

      Dit besluit kan worden aangehaald als “Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” of als “RVV 1990”.

      Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

      Tavarnelle, 26 juli 1990

      Beatrix

      De Minister van Verkeer en Waterstaat,

      J. R. H. Maij-Weggen

      Uitgegeven de elfde oktober 1990

      De Minister van Justitie,

      E. M. H. Hirsch Ballin

       

    • Bijlage 1. Verkeersborden

      Hoofdstuk A. Snelheid

      Bord

      Omschrijving

      A1

      Bijlage 27593.png

      Maximumsnelheid

      Bord

      Omschrijving

      A2

      Bijlage 27594.png

      Einde maximumsnelheid

      Bord

      Omschrijving

      A3

      Bijlage 27596.png

      Maximumsnelheid op een electronisch signaleringsbord

      Bord

      Omschrijving

      A4

      Bijlage 27597.png

      Adviessnelheid

      Bord

      Omschrijving

      A5

      Bijlage 27598.png

      Einde adviessnelheid

      Hoofdstuk B. Voorrang

      Bord

      Omschrijving

      B1

      Bijlage 27599.png

      Voorrangsweg

      Bord

      Omschrijving

      B2

      Bijlage 27600.png

      Einde voorrangsweg

      Bord

      Omschrijving

      B3

      Bijlage 27601.png

      Voorrangskruispunt

      Bord

      Omschrijving

      B4

      Bijlage 27602.png

      Voorrangskruispunt Zijweg links

      Bord

      Omschrijving

      B5

      Bijlage 27603.png

      Voorrangskruispunt Zijweg rechts

      Bord

      Omschrijving

      B6

      Bijlage 27604.png

      Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

      Bord

      Omschrijving

      B7

      Bijlage 27605.png

      Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

      Hoofdstuk C. Geslotenverklaring

      Bord

      Omschrijving

      C1

      Bijlage 27606.png

      Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

      Bord

      Omschrijving

      C2

      Bijlage 27607.png

      Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

      Bord

      Omschrijving

      C3

      Bijlage 27608.png

      Eenrichtingsweg

      Bord

      Omschrijving

      C4

      Bijlage 27609.png

      Eenrichtingsweg

      Bord

      Omschrijving

      C5

      Bijlage 27610.png

      Inrijden toegestaan

      Bord

      Omschrijving

      C6

      Bijlage 27611.png

      Gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen

      Bord

      Omschrijving

      C7

      Bijlage 27612.png

      Gesloten voor vrachtauto’s

      Bord

      Omschrijving

      C7a

      Bijlage 246891.png

      Gesloten voor autobussen

      Bord

      Omschrijving

      C7b

      Bijlage 246892.png

      Gesloten voor autobussen en vrachtauto’s

      Bord

      Omschrijving

      C8

      Bijlage 27613.png

      Gesloten voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h

      Bord

      Omschrijving

      C9

      Bijlage 27614.png

      Gesloten voor ruiters, vee, wagens, motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h en brommobielen alsmede fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

      Bord

      Omschrijving

      C10

      Bijlage 27615.png

      Gesloten voor motorvoertuigen met aanhangwagen

      Bord

      Omschrijving

      C11

      Bijlage 27616.png

      Gesloten voor motorfietsen

      Bord

      Omschrijving

      C12

      Bijlage 27617.png

      Gesloten voor alle motorvoertuigen

      Bord

      Omschrijving

      C13

      Bijlage 27618.png

      Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen, met in werking zijnde motor

      Bord

      Omschrijving

      C14

      Bijlage 27619.png

      Gesloten voor fietsen en voor gehandicaptenvoertuigen zonder motor

      Bord

      Omschrijving

      C15

      Bijlage 27620.png

      Gesloten voor fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

      Bord

      Omschrijving

      C16

      Bijlage 27621.png

      Gesloten voor voetgangers

      Bord

      Omschrijving

      C17

      Bijlage 27622.png

      Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      C18

      Bijlage 27623.png

      Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      C19

      Bijlage 27624.png

      Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      C20

      Bijlage 27625.png

      Gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      C21

      Bijlage 27626.png

      Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      C22

      Bijlage 27627.png

      Gesloten voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen

      Bord

      Omschrijving

      C22a

      Bijlage 244282.png

      Gesloten voor vrachtauto’s die niet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 86d

      Bord

      Omschrijving

      C22b

      Bijlage 244283.png

      Einde geslotenverklaring voor vrachtauto’s die niet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 86d

      Bord

      Omschrijving

      C23-01

      Bijlage 53250.png

      Spitsstrook open

      Bord

      Omschrijving

      C23-02

      Bijlage 53251.png

      Spitsstrook vrijmaken

      Bord

      Omschrijving

      C23-03

      Bijlage 53252.png

      Einde spitsstrook

      Hoofdstuk D. Rijrichting

      Bord

      Omschrijving

      D1

      Bijlage 27628.png

      Rotonde; verplichte rijrichting

      Bord

      Omschrijving

      D2

      Bijlage 27629.png

      Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft

      Bord

      Omschrijving

      D3

      Bijlage 27630.png

      Bord mag aan beide zijden worden voorbijgegaan

      Bord

      Omschrijving

      D4

      Bijlage 27631.png

      Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      D5

      Bijlage 27632.png

      Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      D6

      Bijlage 27633.png

      Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      D7

      Bijlage 27634.png

      Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangegeven

      Hoofdstuk E. Parkeren en stilstaan

      Bord

      Omschrijving

      E1

      Bijlage 27635.png

      Parkeerverbod

      Bord

      Omschrijving

      E2

      Bijlage 27636.png

      Verbod stil te staan

      Bord

      Omschrijving

      E3

      Bijlage 27637.png

      Verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen

      Bord

      Omschrijving

      E4

      Bijlage 27638.png

      Parkeergelegenheid

      Bord

      Omschrijving

      E5

      Bijlage 27639.png

      Taxistandplaats

      Bord

      Omschrijving

      E6

      Bijlage 27640.png

      Gehandicaptenparkeerplaats

      Bord

      Omschrijving

      E7

      Bijlage 27641.png

      Gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen

      Bord

      Omschrijving

      E8

      Bijlage 27642.png

      Parkeergelegenheid alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      E9

      Bijlage 27643.png

      Parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders

      Bord

      Omschrijving

      E10

      Bijlage 27644.png

      Parkeerschijf-zone met verplicht gebruik van parkeerschijf, tevens parkeerverbod indien er langer wordt geparkeerd dan de parkeerduur die op het bord is aangegeven

      Bord

      Omschrijving

      E11

      Bijlage 27645.png

      Einde parkeerschijf-zone met verplicht gebruik van parkeerschijf

      Bord

      Omschrijving

      E12

      Bijlage 27646.png

      Parkeergelegenheid ten behoeve van overstappers op het openbaar vervoer

      Bord

      Omschrijving

      E13

      Bijlage 27647.png

      Parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers

      Hoofdstuk F. Overige geboden en verboden

      Bord

      Omschrijving

      F1

      Bijlage 27654.png

      Verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

      Bord

      Omschrijving

      F2

      Bijlage 27655.png

      Einde verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

      Bord

      Omschrijving

      F3

      Bijlage 27656.png

      Verbod voor vrachtauto’s om motorvoertuigen in te halen

      Bord

      Omschrijving

      F4

      Bijlage 27657.png

      Einde verbod voor vrachtauto’s om motorvoertuigen in te halen

      Bord

      Omschrijving

      F5

      Bijlage 27658.png

      Verbod voor bestuurders door te gaan bij nadering van verkeer uit tegengestelde richting

      Bord

      Omschrijving

      F6

      Bijlage 27659.png

      Bestuurders uit tegengestelde richting moeten verkeer dat van deze richting nadert voor laten gaan

      Bord

      Omschrijving

      F7

      Bijlage 27660.png

      Keerverbod

      Bord

      Omschrijving

      F8

      Bijlage 27661.png

      Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden

      Bord

      Omschrijving

      F9

      Bijlage 27663.png

      Einde van alle op een elektronisch signaleringsbord aangegeven verboden

      Bord

      Omschrijving

      F10

      Bijlage 27664.png

      Stop. In het bord kan worden aangegeven door wie of waarom het bord wordt toegepast

      Bord

      Omschrijving

      F11

      Bijlage 258559.png

      Verplicht gebruik passeerstrook (rijstrook om ingehaald te kunnen worden), uitsluitend bestemd voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h

      Bord

      Omschrijving

      F12

      Bijlage 258560.png

      Einde verplicht gebruik passeerstrook voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h

      Bord

      Omschrijving

      F13

      Bijlage 258561.png

      Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van lijnbussen

      Bord

      Omschrijving

      F14

      Bijlage 258562.png

      Einde busbaan of -strook

      Bord

      Omschrijving

      F15

      Bijlage 258563.png

      Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van trams

      Bord

      Omschrijving

      F16

      Bijlage 258564.png

      Einde trambaan of -strook

      Bord

      Omschrijving

      F17

      Bijlage 258565.png

      Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van lijnbussen en trams

      Bord

      Omschrijving

      F18

      Bijlage 258566.png

      Einde bus- en trambaan of -strook

      Bord

      Omschrijving

      F19

      Bijlage 258567.png

      Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van vrachtauto’s en lijnbussen

      Bord

      Omschrijving

      F20

      Bijlage 258568.png

      Einde rijbaan of -strook voor vrachtauto’s en lijnbussen

      Bord

      Omschrijving

      F21

      Bijlage 258569.png

      Rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van vrachtauto’s

      Bord

      Omschrijving

      F22

      Bijlage 258570.png

      Einde rijbaan of -strook voor vrachtauto’s

      Hoofdstuk G. Verkeersregels

      Bord

      Omschrijving

      G1

      Bijlage 27666.png

      Autosnelweg

      Bord

      Omschrijving

      G2

      Bijlage 27667.png

      Einde Autosnelweg

      Bord

      Omschrijving

      G3

      Bijlage 27668.png

      Autoweg

      Bord

      Omschrijving

      G4

      Bijlage 27670.png

      Einde autoweg

      Bord

      Omschrijving

      G5

      Bijlage 27672.png

      Erf

      Bord

      Omschrijving

      G6

      Bijlage 27673.png

      Einde erf

      Bord

      Omschrijving

      G7

      Bijlage 27675.png

      Voetpad

      Bord

      Omschrijving

      G8

      Bijlage 27677.png

      Einde voetpad

      Bord

      Omschrijving

      G9

      Bijlage 27678.png

      Ruiterpad

      Bord

      Omschrijving

      G10

      Bijlage 27679.png

      Einde ruiterpad

      Bord

      Omschrijving

      G11

      Bijlage 27680.png

      Verplicht fietspad

      Bord

      Omschrijving

      G12

      Bijlage 27681.png

      Einde verplicht fietspad

      Bord

      Omschrijving

      G12a

      Bijlage 29586.png

      Fiets/bromfietspad

      Bord

      Omschrijving

      G12b

      Bijlage 29587.png

      Einde fiets/bromfietspad

      Bord

      Omschrijving

      G13

      Bijlage 27682.png

      Onverplicht fietspad

      Bord

      Omschrijving

      G14

      Bijlage 27684.png

      Einde onverplicht fietspad

      Hoofdstuk H. Bebouwde kom

      Bord

      Omschrijving

      H1

      Bijlage 27685.png

      Bebouwde kom

      Bord

      Omschrijving

      H2

      Bijlage 27686.png

      Einde bebouwde kom

      Hoofdstuk J. Waarschuwing

      Bord

      Omschrijving

      J1

      Bijlage 27688.png

      Slecht wegdek

      Bord

      Omschrijving

      J2

      Bijlage 27689.png

      Bocht naar rechts

      Bord

      Omschrijving

      J3

      Bijlage 27690.png

      Bocht naar links

      Bord

      Omschrijving

      J4

      Bijlage 27691.png

      S-bocht(en), eerst naar rechts

      Bord

      Omschrijving

      J5

      Bijlage 27692.png

      S-bocht(en), eerst naar links

      Bord

      Omschrijving

      J6

      Bijlage 27693.png

      Steile helling

      Bord

      Omschrijving

      J7

      Bijlage 27694.png

      Gevaarlijke daling

      Bord

      Omschrijving

      J8

      Bijlage 27695.png

      Gevaarlijk kruispunt

      Bord

      Omschrijving

      J9

      Bijlage 27697.png

      Rotonde

      Bord

      Omschrijving

      J10

      Bijlage 27698.png

      Overweg met slagbomen

      Bord

      Omschrijving

      J11

      Bijlage 27701.png

      Overweg zonder slagbomen

      Bord

      Omschrijving

      J12

      Bijlage 27702.png

      Overweg met enkel spoor

      Bord

      Omschrijving

      J13

      Bijlage 27703.png

      Overweg met twee of meer sporen

      Bord

      Omschrijving

      J14

      Bijlage 27704.png

      Tram(kruising)

      Bord

      Omschrijving

      J15

      Bijlage 27705.png

      Beweegbare brug

      Bord

      Omschrijving

      J16

      Bijlage 27707.png

      Werk in uitvoering

      Bord

      Omschrijving

      J17

      Bijlage 27708.png

      Rijbaanversmalling

      Bord

      Omschrijving

      J18

      Bijlage 27709.png

      Rijbaanversmalling rechts

      Bord

      Omschrijving

      J19

      Bijlage 27710.png

      Rijbaanversmalling links

      Bord

      Omschrijving

      J20

      Bijlage 27712.png

      Slipgevaar

      Bord

      Omschrijving

      J21

      Bijlage 27713.png

      Kinderen

      Bord

      Omschrijving

      J22

      Bijlage 27715.png

      Voetgangersoversteekplaats

      Bord

      Omschrijving

      J23

      Bijlage 27716.png

      Voetgangers

      Bord

      Omschrijving

      J24

      Bijlage 27718.png

      Fietsers en bromfietsers

      Bord

      Omschrijving

      J25

      Bijlage 27719.png

      Losliggende stenen

      Bord

      Omschrijving

      J26

      Bijlage 27720.png

      Kade of rivieroever

      Bord

      Omschrijving

      J27

      Bijlage 27721.png

      Groot wild

      Bord

      Omschrijving

      J28

      Bijlage 27722.png

      Vee

      Bord

      Omschrijving

      J29

      Bijlage 27723.png

      Tegenliggers

      Bord

      Omschrijving

      J30

      Bijlage 27725.png

      Laagvliegende vliegtuigen

      Bord

      Omschrijving

      J31

      Bijlage 27726.png

      Zijwind

      Bord

      Omschrijving

      J32

      Bijlage 27727.png

      Verkeerslichten

      Bord

      Omschrijving

      J33

      Bijlage 27728.png

      File

      Bord

      Omschrijving

      J34

      Bijlage 53258.png

      Ongeval

      Bord

      Omschrijving

      J35

      Bijlage 27729.png

      Slecht zicht door sneeuw, regen of mist

      Bord

      Omschrijving

      J36

      Bijlage 27730.png

      IJzel of sneeuw

      Bord

      Omschrijving

      J37

      Bijlage 27731.png

      Gevaar (de aard van het gevaar is aangegeven op het onderbord

      Bord

      Omschrijving

      J38

      Bijlage 69760.png

      Verkeersdrempel

      Bord

      Omschrijving

      J39

      Bijlage 250761.png

      Waarschuwing voor elektrische in- en uitschuifbare paal in de rijbaan (poller) waarmee toegankelijkheid van straten en gebieden kan worden geregeld.

      Hoofdstuk K. Bewegwijzering

      Bord

      Omschrijving

      K1

      Bijlage 27732.png

      Lage beslissingwegwijzer langs autosnelweg voor de doorgaande richting, met interlokale doelen en routenummer autosnelweg

      Bord

      Omschrijving

      K2

      Bijlage 27733.png

      Voorwegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting, met afstandaanduiding, afritnummer, interlokale doelen (bovenste doel = afritnaam), verwijzing naar vliegveld/luchthaven en routenummer niet-autosnelweg

      Bijlage 246893.png

      Bord

      Omschrijving

      K3

      Bijlage 27734.png

      Beslissingswegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting naar een verzorginsgsplaats, met de naam van de parkeerplaats en symbolen die de aard van de voorzieningen aangeven

      Bord

      Omschrijving

      K4

      Bijlage 27735.png

      Hoge beslissingswegwijzer langs autosnelweg met rijstrookpaneel voor de doorgaande richting en aftakkingspaneel voor de afgaande richting, met interlokale doelen, routenummers autosnelwegen en Europese hoofdroutes

      Bijlage 246894.png

      Bord

      Omschrijving

      K5

      Bijlage 27736.png

      Voorwegwijzer langs niet-autosnelweg, met interlokale doelen, routenummers, viaductsymbool en aanduiding industrieterrein

      Bord

      Omschrijving

      K6

      Bijlage 27737.png

      Beslissingswegwijzer langs niet-autosnelweg met interlokale doelen en routenummer niet-autosnelweg

      Bord

      Omschrijving

      K7

      Bijlage 27738.png

      Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (handwijzer), met lokaal doel, interlokaal doel, stedelijk fietsroutenummer (boven), en met interlokale doelen en interlokaal fietsroutenummer (onder)

      Bord

      Omschrijving

      K8

      Bijlage 27739.png

      Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (stapelbord), met interlokale doelen en een via een alternatieve route te bereiken doel (cursief)

      Bord

      Omschrijving

      K9

      Bijlage 27740.png

      Omleiding. Maatregel op voorwegwijzer langs niet-autosnelweg

      Bord

      Omschrijving

      K10

      Bijlage 27741.png

      Voorwegwijzer binnen de bebouwde kom met interlokaal doel, lokaal doel, een dagrecreatiecentrum, objecten en stadsroutenummers

      Bord

      Omschrijving

      K11

      Bijlage 27742.png

      Voorsorteren op niet-autosnelweg. Bord met interlokale doelen, routenummers en verwijzing naar autosnelweg

      Bord

      Omschrijving

      K12

      Bijlage 27743.png

      Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknamen (in verkeersgebieden)

      Bord

      Omschrijving

      K13

      Bijlage 27744.png

      Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknummers (in verkeersgebieden)

      Bord

      Omschrijving

      K14

      Bijlage 27745.png

      Route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen

      Hoofdstuk L. Informatie

      Bord

      Omschrijving

      L1

      Bijlage 27746.png

      Hoogte onderdoorgang

      Bord

      Omschrijving

      L2

      Bijlage 27747.png

      Voetgangersoversteekplaats

      Bord

      Omschrijving

      L3

      Bijlage 250762.png
      Bijlage 250763.png
      Bijlage 250764.png

      Bushalte / tramhalte

      Bord

      Omschrijving

      L4

      Bijlage 27749.png

      Voorsorteren

      Bord

      Omschrijving

      L5

      Bijlage 27750.png

      Einde rijstrook

      Bord

      Omschrijving

      L6

      Bijlage 27751.png

      Splitsing

      Bord

      Omschrijving

      L7

      Bijlage 27752.png

      Aantal doorgaande rijstroken

      Bord

      Omschrijving

      L8

      Bijlage 27753.png

      Doodlopende weg

      Bord

      Omschrijving

      L9

      Bijlage 27754.png

      Vooraanduiding doodlopende weg

      Bord

      Omschrijving

      L10

      Bijlage 27755.png

      Vooraanduiding verkeersmaatregel voor de aangegeven richting

      Bord

      Omschrijving

      L11

      Bijlage 27756.png

      Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook/rijstroken

      Bord

      Omschrijving

      L12

      Bijlage 27757.png

      Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook

      Bord

      Omschrijving

      L13

      Bijlage 239092.png

      verkeerstunnel

      Bord

      Omschrijving

      L14

      Bijlage 239093.png

      Vluchthaven

      Bord

      Omschrijving

      L15

      Bijlage 239094.png

      Vluchthaven voorzien van een noodtelefoon en brandblusapparaat

      Bord

      Omschrijving

      L16

      Bijlage 239095.png

      Noodtelefoon

      Bord

      Omschrijving

      L17

      Bijlage 239096.png

      Brandblusapparaat

      Bord

      Omschrijving

      L18

      Bijlage 239097.png

      Noodtelefoon en brandblusapparaat

      Bord

      Omschrijving

      L19

      Bijlage 239098.png

      Dichtstbijzijnde uitgang of twee dichtstbijzijnde uitgangen in de op het bord aangegeven richting en afstand

      Bord

      Omschrijving

      L20

      Bijlage 258571.png

      Uitwijkplaats rechts van de weg

      Bord

      Omschrijving

      L21

      Bijlage 258572.png

      Uitwijkplaats links van de weg

      Bijlage 2. Aanwijzingen

      Bijlage 201058.png
      Bijlage 201059.png

    Hoofdkantoor Rijbewijsgigant Zaandam

    Oostzijde 393
    Zaandam 1508ER
    Nederland
    Telefoon: 075-6707315
    E-mail: info@rijbewijsgigant.nl
    URL:
    Kamer van Koophandel nummer: 34258915

Comment Section

0 reacties op “Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

Plaats een reactie


*